Waarom we veel meer zouden moeten doneren

In een rapport van Geven in Nederland bleek dat Nederlanders in 2015 slechts 0,7 procent van het bruto binnenlands product (bbp) uitgaven aan goede doelen. Aan internationale hulp werd 0,12 procent uitgegeven. In 1999 werd er nog één procent van ons bbp aan goede doelen uitgegeven, waarvan 0,16 procent aan internationale hulp. Een reden die in NRC wordt gegeven voor de vermindering in donaties is de afname van de populariteit van religie en de toenemende secularisatie van onze samenleving.

Dit is zonde. We behoren tot de rijkste landen van de wereld en we hebben inmiddels meer dan genoeg om een comfortabel leven te leiden. Sommige Nederlanders hebben het natuurlijk minder goed dan anderen, maar ook een modaal inkomen in Nederland maakt deel uit van de rijkste twee procent in de wereld, en mensen met een minimumloon maken deel uit van de rijkste 6,2 procent. Desondanks zijn we niet meer veel gelukkiger aan het worden, als we de studies van Richard Easterlin serieus kunnen nemen. Een verklaring hiervoor is dat we steeds meer geld uitgeven aan dingen die ons op korte termijn gelukkig maken waarna we ons snel aanpassen aan de nieuwe status quo. Dit verschijnsel staat bekend als de hedonic treadmill.

Tegelijkertijd zijn er veel mensen die dringend geld nodig hebben voor basisbehoeften. Een euro in onze portemonnee is veel minder waard dan een euro voor de armste mensen in de wereld. Het gebeurt wel eens dat als iemand gevraagd wordt waarom ze zoveel uitgeven aan een dure auto, het antwoord doodleuk is: “ik moet wel wat met mijn geld”. In dit soort situaties vraag ik me af: waarom zou je zo veel geld moeten hebben dat je daadwerkelijk op zoek moet naar manieren om het uit te geven, terwijl er zo veel mensen zijn die zoiets als een simpel malarianet niet kunnen betalen?

Waarom geven we dan nog steeds zo weinig uit aan internationale hulp? Om dit te rechtvaardigen bestaan talloze argumenten, sommigen plausibeler dan anderen. Uiteindelijk ben ik van mening dat de implicaties van deze argumenten worden overdreven. Het zal in dit artikel niet lukken alle redenen te bespreken die mensen zouden kunnen hebben om niets te doneren, maar hopelijk zitten de meest hardnekkige argumenten ertussen.

Uiteindelijk wil ik beargumenteren dat mensen die een hoog inkomen en een comfortabel bestaan hebben in ieder geval een gedeelte van hun inkomen uit zouden moeten geven aan het oplossen van urgente wereldproblemen, en we moeten zorgen dat dit geld zo effectief mogelijk besteed wordt om de meest urgente problemen aan te pakken. In dit artikel ga ik vooral in op armoedebestrijding als één van de meest urgente én oplosbare problemen.

1. Donaties creëren afhankelijkheid terwijl marktwerking iedereen beter af maakt

Dit eerste argument was voor mij een heel overtuigende tijdens mijn bachelor Internationale Bedrijfskunde. Het komt voort uit de beroemde theorie van de onzichtbare hand van Adam Smith, een van de grondleggers van de economie. Het idee is dat altruïsme geen vooruitgang met zich meebrengt, maar juist zelfzucht: “Het is niet door de goede wil van de slager, de brouwer, of de bakker dat wij ons eten verwachten, maar door hun eigenbelang.” Deze gedachtegang lijkt in veel economiestudenten (mijzelf inbegrepen, in het begin) door te zijn geslagen in het idee dat egoïsme noodzakelijkerwijs tot groei leidt, en altruïsme dit juist vertraagt of zelfs tegenhoudt. Als mensen geld krijgen voor niks kan dit immers leiden tot afhankelijkheid en luiheid.

Het is waar dat in sommige gevallen zelfzucht kan leiden tot win-win situaties. In het bovengenoemd voorbeeld hoeft altruïsme geen enkele rol te spelen om twee personen beter af te maken. Uit eigenbelang koop ik brood van de bakker, en uit eigenbelang maakt hij brood voor me klaar. En aan het einde van de dag zijn we allebei beter af. Echter zijn er gevallen waar dit niet zo is. Dit geldt voor mensen in een zogenaamde poverty trap: mensen in een situatie die veroorzaakt wordt door armoede, en die meer armoede als gevolg heeft.

Dit geldt voor mensen in een zogenaamde poverty trap: mensen in een situatie die veroorzaakt wordt door armoede, en die meer armoede als gevolg heeft.

Bijvoorbeeld, mensen die zich maar één maaltijd per dag kunnen veroorloven, kunnen hierdoor minder hard werken. Door minder hard te kunnen werken, kunnen ze minder geld verdienen. Doordat ze minder geld verdienen, wordt het voor hen nog moeilijker om genoeg te eten. In dit geval zou een altruïstische donatie hen juist helpen uit de negatieve spiraal te ontsnappen. Er zijn ook initiatieven die goed doen door bepaalde aspecten van marktwerking te gebruiken, zoals crowdfunding en sociaal verantwoord ondernemen. In ieder geval werken deze initiatieven vaak niet enkel door marktwerking, maar met behulp van marktwerking.

Wat betreft afhankelijkheid zijn er de laatste jaren talloze studies (zie hier en hier) geweest die het gedrag bestuderen van mensen die cash transfers ontvangen, oftewel gratis geld. Uit deze studies blijkt vaak het tegenovergestelde het geval te zijn dan wat men vaak denkt: het geld wordt niet uitgegeven aan drank en sigaretten, en er wordt meer uitgegeven aan opleiding en zorg.

2. Het heeft niks voor elkaar gebracht

In het boek Dead Aid van Dambisa Moyo zegt de auteur dat er één biljoen dollar naar Afrika is gestuurd en het continent nog steeds arm is. Dit gaat echter vaak over staatshulp, waarvan de motieven niet altijd duidelijk zijn en het inderdaad klopt dat de donaties in een aantal gevallen weinig tot niets hebben opgeleverd. Maar laten we dit even terzijde schuiven. Het bedrag dat naar Afrika is gestuurd voor ontwikkelingshulp lijkt op het eerste gezicht erg hoog, maar als je kijkt naar het aantal mensen dat door dit geld geholpen wordt en wanneer je rekening houdt met de tijdspanne (400 miljoen mensen gedurende zestig jaar) is het al veel minder, namelijk 40 dollar per persoon per jaar. Verder hebben sommige donaties wel degelijk positieve effecten gehad, zoals het uitroeien van pokken. Zelfs als het geld dat als hulp was geschonken geen andere effecten had gehad dan het uitroeien van pokken kom je uit op het redden van één mensenleven voor elke $40.000.

Bovendien kunnen persoonlijke donaties gestuurd worden naar organisaties die gemonitord worden door onafhankelijke organisaties en effectief blijken te zijn. Voorbeelden hiervan zijn GiveWell en Giving What We Can. Deze organisaties rangschikken goede doelen op effectiviteit en schaal. Hierdoor krijgen donoren een beter inzicht in wat hun geld daadwerkelijk voor elkaar krijgt. Een van de doelen die hoog scoort is GiveDirectly, waar geld direct aan arme huishoudens wordt geschonken.

3. Het is niet onze schuld dat anderen arm zijn

Een ander argument dat vaak naar voren komt, is dat het niet onze schuld is dat anderen arm zijn. We zijn niet verantwoordelijk voor het feit dat andere mensen in een moeilijke situatie zitten. Daarnaast hebben we zelf niet gestolen, gelogen of iets verkeerds gedaan om aan ons geld te komen.

Echter wordt er in dergelijke situaties niet beargumenteerd om iets niet te doen. Zoals Peter Singer redeneert: als we een kind zien verdrinken, en we dit leven kunnen redden zonder risico voor ons leven zouden we het immoreel vinden om dit niet te doen, ook als het niet onze schuld is dat het kind verdrinkt. Als we een duur pak zouden dragen op het moment dat we langs het verdrinkende kind lopen en deze hiervoor moeten opofferen zouden we dit vaak nog steeds doen. Waarom denken we niet op dezelfde manier over een donatie naar een ander continent, waar we ook levens mee kunnen redden?

Zoals het niet (geheel) onze schuld is dat we rijk zijn, is het ook niet (geheel) de schuld van de armen dat ze arm zijn.

Zoals het niet (geheel) onze schuld is dat we rijk zijn, is het ook niet (geheel) de schuld van de armen dat ze arm zijn. Mensen zijn arm (en rijk) door een complexe samenhang van factoren. Thomas Pogge claimt in zijn boek Human Rights and Global Poverty dat we wel degelijk (al dan niet indirect) schuldig zijn aan globale armoede doordat het beleid van Westerse regeringen heeft geleid tot obstakels in de ontwikkeling van derdewereldlanden. Dit vindt plaats op verschillende manieren, bijvoorbeeld door handel met leiders die op niet-legitieme wijze aan de macht zijn gekomen, waardoor een signaal wordt gestuurd naar potentiële coupplegers dat ze rijkdom kunnen verwachten. Een andere manier waarop we bijdragen aan de onderontwikkeling van landen is klimaatverandering. In het Westen hebben we vaak een hogere ecologische voetafdruk, terwijl ontwikkelingslanden veelal de gevolgen hiervan zullen ondervinden.

Door de complexiteit van globalisering is het niet altijd duidelijk in hoeverre wij verantwoordelijk zijn voor slechte situaties in verre landen. Hoewel we niet met zekerheid kunnen zeggen hoeveel verantwoordelijkheid we precies dragen, lijkt het mij te sterk om te zeggen dat we helemaal géén verantwoordelijk dragen. In gevallen van twijfel blijven we vaak bij de status quo, waarmee het voordeel van de twijfel ligt bij de rijkeren. Misschien zouden we het voordeel van de twijfel ook af en toe bij de arme bevolking moeten leggen.

4. Doneren is symptoombestrijding, we hebben structurele verandering nodig

Dit laatste argument is misschien het meest plausibele, maar slaat in mijn ogen nog steeds de plank mis. Een veel gehoord argument tegen het doneren van geld aan goede doelen, is dat het alleen symptomen bestrijdt en niet de oorzaken bij de wortel aanpakt. Zo geeft een organisatie als GiveDirectly geld aan mensen in armoede, maar doet het niks aan de structurele problemen die die armoede veroorzaken.

Echter, concluderen dat dit betekent dat we niet zouden moeten doneren, is te kort door de bocht. Ten eerste zou het eerder tot de conclusie leiden dat we op een of andere manier zouden moeten bijdragen aan oplossingen voor structurele problemen. Zoals eerder aangegeven, wordt armoede veroorzaakt door een complexe samenhang van factoren, waar bijvoorbeeld corrupte politieke instellingen een grote rol spelen. Een duidelijke oplossing hiervoor is helaas niet voorhanden. Veel economen geloven dat democratische instellingen economische groei bevorderen, maar het veranderen van een autocratische regering in een democratische is niet gemakkelijk, en het opleggen van democratie door Westerse landen kan zelfs een averechts effect hebben. Het zou kunnen dat structurele verandering effectiever is als het door de lokale bevolking gestuurd wordt.

De twee aanpakken – doneren en structurele verandering – sluiten elkaar niet uit.

In ieder geval is het uiterst belangrijk dat er mensen zijn die zich met deze vraagstukken bezighouden. Maar de twee aanpakken – doneren en structurele verandering – sluiten elkaar niet uit. Net zoals je een paracetamol kan nemen tegen hoofdpijn en tegelijkertijd zou willen weten wat de oorzaak ervan is en hoe je het in de toekomst kan voorkomen, kunnen we ook zowel werken aan de oorzaken van armoede (waar mogelijk) en tegelijkertijd mensen die nu lijden aan armoede een helpende hand geven. Het argument tegen doneren zou pas plausibel zijn als we kunnen beredeneren dat doneren op deze manier juist in de weg staat van structurele verandering. Echter, mits doneren geen negatief effect heeft op structurele verandering, kunnen we in ieder geval tijdelijk de situatie van een groep mensen verbeteren, wat al beter is dan niets. En als onze donaties indirect ook nog kunnen bijdragen aan structurele verbeteringen, bijvoorbeeld doordat een geletterde en gezonde bevolking zelf meer democratische instellingen eist, dan is dat natuurlijk mooi meegenomen.

Tot slot

Tijdens het lezen van dit verhaal komt er waarschijnlijk een prangende vraag in je op, namelijk: waar stoppen we? Misschien kan ik minder uit gaan geven aan dure kleding of een auto, maar als ik een biertje ga drinken met vrienden geef ik ook geld uit dat voor iets veel belangrijkers gebruikt zou kunnen worden. En zo kan ik maar doorgaan totdat ik nooit meer iets leuks doe.

Het korte antwoord is: dat is inderdaad de implicatie. En tegelijkertijd zal haast niemand zo ver gaan. Hier moet een pragmatische afweging plaatsvinden. Aan de ene kant kunnen we bewust zijn van het onderliggende principe: zolang er mensen zijn die extreem lijden, is doneren altijd goed en is meer doneren altijd beter. Aan de andere kant moeten we realistisch zijn over de grenzen van ons altruïsme. Overigens leven we in een samenleving waar het heel normaal is geld uit te geven aan luxes zoals dure restaurants en verre reizen. Als we dit zouden opgeven, kan dat nog eens negatieve effecten hebben op ons (sociale) leven. Dit levert een spanning op waar we niet onderuit kunnen. Echter hoort dit niet te leiden tot de conclusie dat je dan net zo goed helemaal niet hoeft te doneren. Leden van de beweging Effective Altruism hebben besloten een eed af te leggen om 10% van hun inkomsten te doneren aan organisaties waarvan hun effectieve bijdrage aan urgente problemen bewezen is. Sommigen doneren nog meer, anderen minder. We kunnen misschien niet een perfect moreel leven leiden maar we kunnen in ieder geval een kleine stap maken in de juiste richting.

De foto komt van Carl Heyerdahl.


Young Critics draait volledig op donaties. Vond je dit artikel van Christiaan Broekman de moeite waard? En wil je graag meer van deze schrijver lezen? Steun ons dan in de vorm van een donatie of een kopje ☕!

Hieronder kun je iets bijdragen aan het artikel of de discussie aangaan. Ben je het met Christiaan eens? Waarom wel/niet?