Op zoek naar De Nieuwe Econoom

Bijna tien jaar na de financiële crisis van 2008 zou je kunnen denken dat de kritiek op economen zijn beste tijd heeft gehad. De economie groeit immers weer flink en nieuwe regelgeving heeft het financiële systeem een stuk veiliger gemaakt. Er zijn inmiddels boekenkasten vol geschreven over de aanloop naar en nasleep van de crisis. Ook zijn er films en documentaires gemaakt, zoals Inside Job (2010), Margin Call (2011) en natuurlijk The Big Short (2015). Na een lange periode van malaise is sinds een paar jaar weer sprake van een voorzichtig optimisme, zowel onder analisten als consumenten. De apocalyptische taal van de crisisjaren – De Grote Recessie, financial meltdown, ‘langs de rand van de afgrond’ – hebben we (gelukkig) grotendeels achter ons gelaten.

In mijn introductie van het thema Economie & Ontwikkeling gaf ik aan dat een van mijn ambities als eindredacteur is om op zoek te gaan naar de eigenschappen van ‘De Nieuwe Econoom’. Gezien alle kritiek die economen sinds de crisis hebben moeten verduren, lijkt dit een overbodige exercitie. In deze essay zal ik echter proberen een nieuw licht te werpen op deze discussie. Dit zal ik doen door mijn persoonlijke visie te schetsen op het begrip ‘econoom’. Hierbij komen juist ook niet-economische eigenschappen aan bod, wat hopelijk aanleiding geeft tot een bredere, meer filosofische discussie over wat economen wel of juist niet moeten kunnen en doen. Aan de hand van twee historische voorbeelden zal bovendien duidelijk worden dat er eigenlijk niet zoveel nieuws is aan De Nieuwe Econoom.

Mijn zoektocht naar De Nieuwe Econoom begint bij twee bijzondere individuen uit de recente geschiedenis: John Maynard Keynes (1883–1946) en Friedrich Hayek (1899–1992). Ik noem hen expres geen economen omdat zij – zoals zal blijken uit wat volgt – zoveel meer waren dan wat wij onder de huidige interpretatie hiervan verstaan.

John Maynard Keynes (spreek uit als ‘Kaines’) is wereldberoemd vanwege zijn bijdrage aan wat wij nu de macro-economie noemen. Hij wordt zelfs beschouwd als een van de grondleggers van dit onderdeel van de economie dat zich bezighoudt met de verbanden (consumptie, rente, handel) binnen een bepaald systeem, bijvoorbeeld een land. Zijn baanbrekende inzichten en berekeningen hebben direct bijgedragen aan het bestrijden van de Grote Depressie in de jaren 30 van de vorige eeuw. Ook het economisch beleid van tijdens en de decennia na de Tweede Wereldoorlog is sterk door keynesiaanse theorieën beïnvloed.

John Maynard Keyes

Naast zijn briljante analyses van economische systemen was Keynes zich zeer bewust van zijn rol als econoom. Keynes leefde in een tijd waarin de studie van de economie als academische discipline – laat staan het beroep van econoom als professie – nog in de kinderschoenen stond. Hierdoor had Keynes oog voor het brede speelveld waarin hij zich als econoom bevond. Voordat Keynes economie ging studeren (en doceren) in Cambridge studeerde hij eerst wiskunde en filosofie. De taken en bijbehorende competenties van een econoom waren volgens Keynes dan ook zeer divers, wat door hem is samengevat in de volgende passage:

“The study of economics does not seem to require any specialized gifts of an unusually high order. Is it not, intellectually regarded, a very easy subject compared with the higher branches of philosophy and pure science? Yet good, or even competent, economists are the rarest of birds. An easy subject, at which very few excel! The paradox finds its explanation, perhaps, in that the master-economist must possess a rare combination of gifts. He must reach a high standard in several different directions and must combine talents not often found together. He must be mathematician, historian, statesman, philosopher – in some degree. He must understand symbols and speak in words. He must contemplate the particular in terms of the general, and touch abstract and concrete in the same flight of thought. He must study the present in the light of the past for the purposes of the future. No part of man’s nature or his institutions must lie entirely outside his regard. He must be purposeful and disinterested in a simultaneous mood; as aloof and incorruptible as an artist, yet sometimes as near the earth as a politician.”

Eigenlijk moet je als econoom dus een beetje van alles zijn: wiskundige, politicus, socioloog, psycholoog, historicus, filosoof. Oftewel, het begrip ‘econoom’ in haar huidige, nauwe interpretatie schiet flink tekort. Tegenwoordig zien we economen vaak als koele rekenaars die graag in modellen praten en stellige voorspellingen doen. Voor historische beschouwingen of filosofische discussies is geen tijd; daar zijn immers aparte vakgebieden voor.

Hier gaat het naar mijn mening mis. Volgens Keynes ligt de kracht van een goede econoom juist in een brede interesse en kennis. Wil je de complexiteit van een (moderne) economie écht doorgronden dan is een divers palet aan competenties essentieel. Hoe graag we het ook zouden willen, de economie is niet iets statisch dat gemakkelijk is af te bakenen en te verklaren. Uiteindelijk gaat het om menselijk gedrag waarbij een veelvoud aan factoren meespelen. Naast bijvoorbeeld financiële prikkels spelen ook culturele factoren een belangrijke rol in de totstandkoming van keuzes. Hoewel het vaak niet gemakkelijk is om dit soort factoren mee te nemen in economische analyses, is het in ieder geval van belang dat econoom zich hiervan bewust zijn.

Friedrich Hayek, het tweede bijzondere individu dat ik graag naar voren haal, is minstens zo beroemd als Keynes – al komt hij wat minder prominent voor in economische studieboeken. Hayek is vooral bekend door zijn scherpe analyses over prijsvorming en de rol van informatie in de economie. Opgeleid als jurist, psycholoog, politieke wetenschapper en filosoof, studeerde Hayek tot slot ook nog economie. Net als Keynes beschikte Hayek over een breed scala aan interesses en kennis.

Friedrich August Hayek

De reden dat ik Hayek aanhaal, is echter niet vanwege zijn multidisciplinaire achtergrond. Door zijn liberale gedachtengoed was Hayek zeer kritisch op het werk van Keynes, onder andere door diens opvatting dat overheidsinvesteringen als redmiddel voor een haperende economie gebruikt konden worden. Waar Keynes als een optimische en ambitieuze econoom kan worden beschouwd, was Hayek sceptisch over de invloed die economen daadwerkelijk konden hebben op zoiets complex als een economie. Deze houding van Hayek is pakkend geformuleerd in zijn analyse over de tekortkomingen van een planeconomie:

“The curious task of economics is to demonstrate to men how little they really know about what they imagine they can design.”

Dit ietwat cryptische citaat weerspiegelt in mijn ogen een vorm van bescheidenheid; het besef dat niet alles maakbaar of voorspelbaar is en dat we daar soms maar gewoon genoegen mee moeten nemen. Dit kan misschien ontmoedigend overkomen maar ik zie het liever als een reality check, een portie gezond verstand voor wanneer je ambities als econoom een net iets te grote vlucht nemen.

De inzichten van Keynes en Hayek leggen in mijn ogen twee fundamentele eigenschappen bloot: diversiteit en bescheidenheid. Ondanks het feit dat Keynes en Hayek op veel gebieden als filosofische tegenhangers gezien kunnen worden, waren zij het beiden eens over het brede takenpakket en de bijbehorende competenties voor economen. Tegelijkertijd waren beide heren – elk op hun eigen manier – terughoudend in de manier waarop zij als economen daadwerkelijk een verschil konden maken.

Dit wordt op een komische wijze geïllustreerd in dit filmpje van EconStories:

Hopelijk kunnen we in het pas begonnen jaar, waarin er ongetwijfeld uitgebreid zal worden teruggeblikt op de crisis van tien jaar geleden, een vruchtbare discussie voeren over wat economen wel of juist niet moeten kunnen en doen. De eigenschappen die ik hier uit het werk van Keynes en Hayek heb getracht te destilleren, vormen een goed startpunt omdat ze aanleiding geven voor een bredere, meer filosofische discussie. Om werkelijk tot een vernieuwende (of oude) definitie van ‘de econoom’ te komen, is het van belang dat deze discussie niet slechts binnen de muren van economische faculteiten gevoerd wordt. De ideeën uit de geesteswetenschappen en andere vakgebieden zijn eveneens relevant omdat de taken van een goede econoom vragen om een holistische benadering. Aan ons de taak om als jonge sociologen, historici, politicologen, wiskundigen en filosofen nadere invulling te geven aan De Nieuwe (Oude) Econoom.

De foto komt van Wikicommons.


Young Critics draait volledig op donaties. Vond je dit artikel van Felix den Ottolander de moeite waard? En wil je graag meer van deze schrijver lezen? Steun ons dan in de vorm van een donatie of een kopje ☕!

Hieronder kun je iets bijdragen aan het artikel of de discussie aangaan. Ben je het met Felix eens? Waarom wel/niet?