Scheur de zwarte pagina’s niet uit onze geschiedenisboeken

Jan Pieterszoon Coen is een van de bekendste VOC-medewerkers en wordt gezien als de grondlegger van de Nederlandse heerschappij in de Indische archipel. Een belangrijk man uit de Nederlandse geschiedenis en daarom ook bekroond met onder andere een standbeeld in zijn geboorteplaats Hoorn en een tunnel. Hij is echter niet alleen geliefd. In 2011 is een burgerinitiatief ingediend door mensen die zich stoorden aan het standbeeld. Volgens het initiatief werd geen aandacht besteed aan de slachtingen die de man op de Banda-eilanden had begaan. Hierop is een begeleidende tekst toegevoegd onder het standbeeld, zowel in het Nederland als in het Engels. De tekst luidt:

“Jan Pieterszoon Coen (Hoorn 1587- Batavia 1629)

Koopman, directeur-generaal en gouverneur-generaal van de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC). Vormgever van het succesvolle handelsimperium van de VOC in Azië. Stichter van Batavia, het huidige Jakarta.

Geroemd als krachtdadig en visionair bestuurder. Maar evenzeer bekritiseerd om zijn gewelddadige optreden bij het verwerven van handelsmonopolies in Indië. Voerde in 1621 een strafexpeditie uit tegen één van de Banda-eilanden, omdat de bewoners tegen het verbod van de VOC in nootmuskaat leverden aan de Engelsen. Duizenden Bandanezen lieten hierbij het leven, de overlevenden werden naar Batavia gedeporteerd.

Coen kreeg aan het eind van de negentiende eeuw de status van nationale held, compleet met standbeeld in zijn geboortestad. Een landelijk oprichtingscomité onder leiding van de Hoornse burgemeester Van Dedem zamelde hiervoor het geld in. Het bronzen beeld, een ontwerp van Ferdinand Leenhoff (1841-1914), leraar aan de Academie voor Beeldende Kunst in Amsterdam, werd in 1893 feestelijk onthuld.

Onomstreden is het standbeeld niet. Volgens critici verdient Coens gewelddadige handelspolitiek in de Indische archipel geen eerbetoon.”

Het is een beladen discussie die vaak terugkomt, zowel in Nederland als in andere landen. Wat doen we met nationale ‘helden’ die achteraf gezien wreedheden hebben begaan? En breder, hoe gaan we met onze geschiedenis om?

Twee kampen

De Nederlandse geschiedenis kan veel mensen koud laten, maar ook een hoop emoties oproepen. Het gaat vaak om trots, schaamte, woede en melancholie. Politici, activisten en boze burgers; ze gebruiken de Nederlandse geschiedenis ieder op een opportunistische wijze. Door verbanden te leggen die eigenlijk niet bestaan, vergelding te verkrijgen terwijl daders en slachtoffers niet meer bestaan, of terug te verlangen naar een tijd waarin alles beter was: met een achteruitkijkspiegel naar de toekomst kijken. Op die manieren claimen verschillende groepen de geschiedenis en zetten ze die naar hun hand. Ik onderscheid twee hoofdstromen.

1) De trotse Nederlander. Deze Nederlander is ongenuanceerd trots op het verleden van Nederland en beroept zich op een morele superioriteit die – volgens hem/haar – al eeuwen aanwezig is in het land.

2) De schuldige Nederlander. Deze groep bestaat vooral uit Nederlanders die een schuldgevoel proberen op te roepen dat niet in elk geval relevant is en de geschiedenis vooral wil uitwissen in plaats van uitleggen.

Ik wil met dit stuk de twee groepen duidelijk beschrijven en de hypocrisie van beide groepen aantonen.

De Trotse Nederlander

De tolerantie tierde welig in de Republiek. Die boodschap wordt vaak uitgesproken met een ondertoon van morele superioriteit. Alsof het vooruitgangsgeloof in de Nederlanden dermate groot was dat men toen al inzag dat het maar beter was als iedereen zo egalitair mogelijk behandeld werd. En natuurlijk schuilt in deze mythologische misvatting een kern van waarheid: Nederland is al heel lang een (relatief) egalitair land. Maar die tolerantie is niet per se in de schoot van de Nederlandse ruimdenkendheid geboren, het was gewoon handelspragmatisme. Wanneer je tolerant bent en alle volkeren en geloven min of meer tolereert, dan kan dat een groot economisch voordeel opleveren voor een handelscentrum als Amsterdam.

Met de grote rol die de migratieproblematiek in het debat inneemt, schiepen veel politieke partijen een beeld van Nederland zoals dat in hun ogen langzamerhand in de geschiedenis is ontstaan en wat dus gekoesterd dient te worden. Fortuyn, Wilders, Buma en Baudet, allemaal beroepen ze zich op die joods-christelijke cultuur die Nederland de vooruitgang en de verworvenheden heeft gebracht zoals we die nu kennen. Die verworvenheden zijn echter vaak eerder ondanks dan dankzij het joden- en christendom tot stand gekomen.

De emancipatie van vrouwen kwam bijvoorbeeld tegelijkertijd op gang met het leeglopen van de kerk. Een ander voorbeeld: het CDA stemde tot voor kort nog tegen het homohuwelijk. De grootste emancipatorische veranderingen waardoor we nu zo botsen met bijvoorbeeld een conservatieve stroming van de islam, resteren uit het recente verleden. In de jaren ’50 van de vorige eeuw leefden we nog in een patriarchale cultuur. Ik zal ook niet ontkennen dat Nederland tolerant was in de tijd van de Republiek (met welke achterliggende reden dan ook) en dat we in een joods-christelijke natie voorop liepen in de wetenschap. Maar de joods-christelijke cultuur wordt vaak als ‘bedreigd’ gekenmerkt wanneer verworvenheden (zoals vrouwen- en homo-emancipatie) in gevaar komen die helemaal niet door die cultuur zijn bevochten. Dit is dus een voorbeeld van vals gebruik van geschiedenis.

De schuldige Nederlander

Bij elke verschrikkelijke gebeurtenis die onze geschiedenis heeft gekend, zoekt men naar een dader. Slachtoffers of nabestaanden daarvan hebben een richting nodig naar wie ze hun vinger kunnen wijzen. Het aanwijzen van een dader is voor het slachtoffer vaak belangrijk als onderdeel van het verwerkingsproces. Hier kleven echter ook nadelen aan: de daders zijn vaak niet meer in leven, de slachtoffers zijn soms enkel nabestaanden en er worden ook weleens daders aangewezen die niets meer met de daad te maken hebben.

In Nederland was het in de jaren ’50 bijvoorbeeld vrij normaal dat ouders hun kinderen verboden om te spelen met kinderen van NSB-ouders of ze moedigden hen zelfs aan om die kinderen te pesten. Wanneer men zei dat die dreumesjes toch niets aan de keuzes van hun ouders konden doen, werd daar tegenin gebracht dat die dreumesjes een product zijn van het nationaalsocialisme en alleen al om die reden geschikt pestmateriaal. De eeuwige vechtpartijtjes tussen de katholieke en protestante jongensscholen – die regelmatig voorkwamen in die jaren – gingen namelijk ook weleens vervelen.

Hier wordt de geschiedenis gebruikt om pure vechtlust te botvieren en pesterijtjes te rechtvaardigen. De schuld wordt gemakshalve op de kwetsbare NSB-kinderen afgeschoven en zo kan er alsnog een vergelding komen voor de oorlogsdaden. Terwijl je zou kunnen stellen dat de zoon van een verzetsstrijder even schuldig is aan de Tweede Wereldoorlog als een zoon van een NSB-er.

Een dergelijk gevoel van vergelding is ook nu weer aanwezig in Nederland. En dan wel over het slavernijverleden. Daders zijn niet meer aanwezig en direct kapitaal is versplinterd. Ze zijn ook niet eenvoudig te traceren, dus de vergelding kan niet op een persoon gericht worden. Men richt zich daarom op het resterende erfgoed dat van de slavenhandel aanwezig is. Er is echter een probleem: de slavenhandel heeft de Republiek niet zoveel opgeleverd waardoor een directe erfenis van de slavenhandel niet aanwijsbaar is. Daarom heeft men de discussie breder getrokken: we zoeken niet langer naar restanten van de slavenhandel, maar de handel en het kolonialisme van de Nederlandse Republiek in zijn geheel worden als dader aangewezen. Op het eerste oog is alles slecht en zijn alle restanten uit de Gouden Eeuw verdiend met een ondragelijk leed. Zo zijn de grachtenpanden in Amsterdam voor het overgrote deel gefinancierd met de Oostzeehandel, maar ze worden door activisten bestempeld als door uitbuiting verkregen koloniale paleizen.

De hele Nederlandse geschiedenis wordt vaak op één hoop gegooid.

Natuurlijk hebben zich in de koloniën van Nederland genoeg gebeurtenissen voorgedaan die – ook in de tijdsgeest – niet door de beugel kunnen. Alleen wordt vaak de hele Nederlandse geschiedenis op één hoop gegooid. Michiel de Ruyter: beminde Nederlander op een schip, die zal dus wel fout geweest zijn! Dat moet de gedachtegang van veel activisten zijn geweest terwijl ze tegen de film protesteerden. Alsof De Ruyter het ruim had volgestouwd met slaven toen hij zijn oorlogsschip richting Chatham voer.

Het debat wordt niet genuanceerd gevoerd. Zelfs aan het koloniale verleden zelf is niet álles fout geweest. Suriname heeft tot op de dag van vandaag profijt van het door Nederland geïntroduceerde rechtssysteem en de basis van de infrastructuur. Natuurlijk weegt nieuwerwets gemak niet op tegen het verleden van slavenhandel, maar zelfs het benoemen van enkele voordelen van het koloniale verleden is al gevaarlijk. De Amerikaanse wetenschapper Bruce Gilley kwam met een onderzoek waarin hij publiceerde dat kolonialisme ook zijn goede kanten had. Een storm van kritiek stak op; collegae wilden niet langer in hetzelfde blad publiceren en de verontwaardiging was groot. Terwijl het mij, mits goed onderbouwd, geen kwade zaak lijkt als een wetenschapper tot een conclusie komt die nog niet eerder is gedaan.

Bij het ontbreken van een – nu nog aanwezige – dader, schiet men met een hagelkanon op beminde vaderlandse helden die waarschijnlijk ook wel fout geweest zouden zijn. En van diegenen waarvan bekend is dat ze fout geweest zijn (Jan Pieterszoon Coen bijvoorbeeld) moeten de naambordjes en de standbeelden verwijderd worden. Ik ben persoonlijk geen fan van die oplossingsmethode. Het is geen effectieve vergelding wanneer je de zwarte pagina’s uit de geschiedenisboeken scheurt. Je moet juist het licht op die pagina’s schijnen, je moet de standbeelden laten staan en ze voorzien van een passende historische context. Het standbeeld van Jan Pieterszoon Coen in zijn geboortestad Hoorn zegt zoveel over de 19e eeuw. Dat het een tijd was waarin Nederlanders ongenuanceerd veel van het vaderland hielden. Zo veel, dat we zelfs de moordenaar van de Banda-eilanden vereren met een standbeeld. Wat mij betreft projecteren ze ’s avonds een schildering van de inwoners die uitgemoord aan de voeten van het standbeeld liggen, waarbij het verhaal met een animatie wordt afgespeeld. We moeten de restanten van het donkere verleden van Nederland niet wegmoffelen en doen alsof het nooit is gebeurd, we moeten het gebruiken als het decor van een verhaal dat gehoord mag worden.

Kortom

De kijk op geschiedenis verandert steeds. We pakken onze huidige maatstaven erbij wanneer we naar het verleden kijken, maar we vergeten weleens dat voor een andere tijd andere regels gelden. Ik hoop dat deze bescheiden poging tot een begrijpelijk – en niet al te polariserend – essay, het belang van de zuivere geschiedschrijving onderstreept. Opdat de geschiedenis niet al te vaak meer misbruikt zal worden.

De foto komt van Wikicommons.


Young Critics draait volledig op donaties. Vond je dit artikel van Ischa Walburg de moeite waard? En wil je graag meer van deze schrijver lezen? Steun ons dan in de vorm van een donatie of een kopje ☕ (€3,50)!

Alvast bedankt, door jou kunnen we blijven publiceren ☺

Hieronder kun je iets bijdragen aan het artikel of de discussie aangaan. Ben je het met Ischa eens? Waarom wel/niet?