Ode aan het minderheidskabinet

Nergens bestaat een regel dat de volledige puzzel al binnen een paar maanden klaar moet zijn; waarom kiezen de partijen er niet voor om de komende vier jaar steeds wat stukjes op zijn plaats te leggen?

Onze Scandinavische buurlanden hebben al langer ervaring met minderheidskabinetten, net als onder meer Canada en Nieuw-Zeeland. De regering bestaat daar uit enkele (ideologisch verwante) partijen, maar die bezitten geen meerderheid van de zetels in het parlement. Toch lukt het die regeringen per thema gelegenheidscoalities te smeden. Kijk de Deense serie Borgen maar eens (een echte aanrader!), daar zie je hoe de constante zoektocht naar draagvlak voor wetten in zijn werk gaat. Deze werkwijze gaat dus nog een stap verder dan de gedoogconstructie tijdens Rutte I; in feite was dit ook een minderheidskabinet, maar dan wel met als vaste gedoogpartner de PVV. De rol van gedoogpartner(s) kan veel flexibeler zijn en steeds wisselen.

De reden dat een meerderheidskabinet in Nederland altijd de norm is geweest, is echter vrij simpel: het is veel minder inspannend voor bewindslieden om niet telkens te hoeven lobbyen voor een Kamermeerderheid voor hun plannen. Met 76 zetels in de Tweede Kamer weet het kabinet (bijna) zeker dat de coalitiepartijen met een meerderheid voor de afgesproken plannen stemmen. Dat zorgt voor efficiëntie en stabiliteit.

Je hoorde wat voor moeite de samenwerking met de constructieve drie – D66, ChristenUnie en SGP – het kabinet kostte om het minderheidsprobleem in de Eerste Kamer op te lossen tijdens de afgelopen kabinetsperiode. Dat betekende veel koffie- en lunchdates, veel telefoontjes en nog meer compromissen. Vandaar dat Halbe Zijlstra al vrij vroeg de optie van een minderheidskabinet van de hand deed – hij heeft nog een trauma van alle broodjes omelet. Een meerderheid in de Eerste en Tweede Kamer is gemakkelijk voor de regering, maar ‘makkelijk’ is niet altijd het beste voor een land.

De kracht van het Nederlandse kiesstelsel is de goede vertaling van kiezersvoorkeuren naar de volksvertegenwoordiging.

De kracht van het Nederlandse kiesstelsel is de goede vertaling van kiezersvoorkeuren naar de volksvertegenwoordiging. De verhouding tussen het aantal kiezers en de 150 zetels in het parlement is erg positief; één zetel vertegenwoordigt relatief weinig kiezers. We hebben – vergeleken met de landen om ons heen – met onze stem best veel te zeggen over de Tweede Kamer. Bovendien worden alle stemmen bijna direct vertaald in zetels. Nederland kent geen kiesdrempel van bijvoorbeeld een paar procent, waardoor de achterban van veel kleine partijen gelijk niet meer zou worden gehoord. Wat zouden we zonder de SGP moeten, die al honderd jaar in het parlement zit.

Met die enorme volksvertegenwoordigende kracht van het kiesstelsel moet de regering meer doen. Een minderheidskabinet kan bij het maken van wetgeving meer rekening houden met andere politieke partijen in het parlement. Als er toch zoveel verschillende fracties zijn, kun je altijd wel medestanders voor plannen vinden. Regeringen kunnen stemmen ‘shoppen’, zoals ook het geval is bij initiatiefwetten vanuit de Tweede Kamer. Initiatiefwetten kunnen niet per definitie op een meerderheid rekenen, want ze komen niet vanuit het kabinet. Daarom moet er flink voor worden gelobbyd, wil een initiatiefwet het halen. In ruil voor steun voor een wet, krijgt de gedogende partij vaak iets terug. Door eenzelfde aanpak toe te passen bij regeringsplannen, vergroot je het draagvlak voor regeringsbeleid enorm; elke achterban krijgt iets, het zijn geen vast aantal partijen die vier jaar lang de dienst uitmaken.

Oud-informateur Herman Wijffels verwoordde de urgentie van draagvlak vorige week prachtig in De Grote Formatieshow: ‘Hoe kunnen we de verkiezingsuitslag vertalen, niet alleen in een meerderheid, maar ook in een bestuursstijl, die recht doet aan de pluriformiteit van wat daar in de Kamer zit?’ Het is zonde om de keuze van kiezers bij de verkiezingen te vertalen in vier jaar lang beleid waar slechts een kleine meerderheid van die kiezers zich in herkent. ‘Ik zou denken dat het grote voordelen zou hebben dat er een kabinet komt dat in ieder geval qua bestuursstijl ‘open’ is, dat gericht is op participatie van burgers en meerdere partijen – niet alleen de coalitiepartijen,’ meent Wijffels dan ook.

Een grotere rol voor het parlement – in de vorm van wisselende gelegenheidscoalities – doet meer recht aan de stem van de kiezer. We kiezen immers geen regering, maar een volksvertegenwoordiging. In meerderheidskabinetten zijn in feite bijna alle plannen ‘dichtgetimmerd’, zonder dat oppositiepartijen nog inspraak kunnen leveren. Hun achterban zal in de huidige vorm van regeren vier jaar lang (bijna) altijd worden genegeerd.

Voor nu kunnen we alleen Borgen terugkijken, misschien vinden we daar wat bruikbare puzzelstukjes voor deze hersenkraker.

Uit onderzoek van Ipsos blijkt bovendien dat een kleine meerderheid van de kiezers een minderheidskabinet wel ziet zitten. De voorkeur van een groot deel van de ondervraagden gaat uit naar een meerderheidskabinet, maar wanneer dit leidt tot een regering zonder duidelijke nieuwe koers, kiest 52 procent voor het alternatief van een minderheidskabinet mét duidelijke koers.

In de huidige situatie kan dit betekenen dat het ‘motorblok’ van VVD, CDA en (eventueel) D66 een regering vormen. De drie partijen hebben in dat geval 71/150 zetels in de Tweede Kamer en 35/75 zetels in de Eerste Kamer; ze zouden (getalsmatig) vrij gemakkelijk meerderheden kunnen vinden in beide Kamers. Vooral de VVD en het CDA zitten op veel thema’s op één lijn. Voor D66 zou een dergelijke samenwerking minder vruchtbaar zijn, omdat zij dan de meest linkse partij zijn en mogelijk veel aan standpunten moeten inleveren.

Zover zijn we echter nog niet, omdat nu eerst de combinatie VVD, CDA, D66 en GroenLinks wordt onderzocht. Daarna zal ongetwijfeld de mogelijkheid voor een regering van VVD, CDA, D66 en ChristenUnie worden besproken. Slechts als deze partijen er niet uitkomen, zal de serieuze optie van een minderheidskabinet opnieuw de revue passeren. Laten we het hopen! Voor nu kunnen we alleen Borgen terugkijken, misschien vinden we daar wat bruikbare puzzelstukjes voor deze hersenkraker.

De foto komt van Roel Wijnants.

Young Critics draait volledig op donaties. Vond je dit artikel van Laura van Dijk de moeite waard? En wil je graag meer van deze schrijver lezen? Steun ons dan in de vorm van een donatie.

Hieronder kun je iets bijdragen aan het artikel of de discussie aangaan. Ben je het met Laura eens? Waarom wel/niet?