Waarom op je vingers leren fluiten (bijna) hetzelfde is als je wereldbeeld bijstellen

Afgelopen zomer heb ik mezelf leren fluiten. Niet een half zacht wijsje maar een hard, snerpend en helder geluid. Het soort fluit dat van pas komt als je verdwaald raakt in de wildernis. Ik wilde dat dus ook kunnen en zo vormden de verloren uren afgelopen zomer zich om dit doel heen. Geen knappe jongen is meer veilig in mijn omgeving en op een symposium vorige week kon ik eindelijk fluiten in plaats van applaudisseren. Erkennen dat je niet kan fluiten is weliswaar simpeler dan erkennen dat vaste overtuigingen misschien aan een update toe zijn – de weg naar verbetering lijkt vergelijkbaar.

Nu gebeurt het mij niet vaak dat zo’n willekeurig doel daadwerkelijk bereikt wordt, en ik zal niet de enige zijn met dat probleem. Ik was dus benieuwd naar het waarom van dit succes. Achteraf lijkt het samen te vatten in het volgende stappenplan:

  1. Erkennen, of erop gewezen worden, dat je iets niet kan
  2. Doel stellen: “leer fluiten”
  3. Brede hypotheses voor succes opstellen, deze testen en aanpassen
  4. Andere proefpersonen en vermeend experts benaderen om je hypotheses te testen en mee te denken
  5. Succes vieren – blijven finetunen

Nu bleken vooral stap 3 en 4 van onschatbare waarde in het leerproces. De eerste weken zat ik op eigen houtje een beetje te klooien met hypotheses, maar toen ik anderen betrok en mijn vader vertelde van mijn doelstelling kwam hij met wijze raad. De inbreng om je tong dubbel te vouwen werd gegeven en zo begon het zo nu en dan ergens op te lijken. Een andere proefpersoon in stap 4 gaf de tip om de vingers meer verticaal dan horizontaal in de mond te plaatsen. Diezelfde dag volgde door weer een ander het devies kort en fel uit te ademen en ziedaar – de trotse fluit was geboren.

Het vergt best wat zelfvertrouwen om te onderkennen dat je iets toch niet zeker weet, zonder er direct moedeloos van te worden en je hele persoon te vervloeken.

Hoewel erg gelukkig met dit stappenplan en mijn verworven vaardigheid, realiseerde ik me dit proces van vallen en opstaan te herkennen. Namelijk bij het veranderen van inzicht, al is het daar een stuk lastiger. De eerste beste discussie ga ik als ik niet oplet met gestrekt been in, en het bestaan van punt 1 wordt door mij niet zelden ontkent. Een regel in de etiquette is, wellicht om die reden, religie en politiek nooit te bespreken. Doe je dit wel, sta je al gauw met je ogen te knipperen en je mond half open van verbijstering dat een medemens bepaalde opvattingen erop na houdt. Toch zullen er echt redenen zijn dat een ander niet helemaal hetzelfde wereldbeeld heeft als jij. Het moge duidelijk zijn, de overige stappen zijn in verhouding met die eerste van erkennen dat je misschien fout zit, peanuts.

Het vergt best wat zelfvertrouwen om te onderkennen dat je iets toch niet zeker weet, zonder er direct moedeloos van te worden en je hele persoon te vervloeken. Maar bovenal vergt het geloof in het wetenschappelijke principe dat alles wat we voor waarheden aanzien enkel als dusdanig worden beschouwd zolang het tegendeel niet is bewezen (voor een wetenschapsfilosofische insteek hiervan, zie Popper). Als kind is het luisteren en aannemen van waarheden iets dat geprezen wordt, later zal je eerder gebrek aan standvastigheid of zelfs wispelturigheid verweten worden. Je wordt als kind op een voetbalveld gezet, leert zonder nadenken liedjes zingen over uiteenlopende onderwerpen, of moet voor het eerst vriendjes maken in een nieuwe klas. Je hebt geen idee hoe je dit aanpakt en dus win je informatie in bij experts. De coach vertelt je te kappen die bal met je handen aan te raken, de meester neuriet de liedjes voor en de juf geeft je een duwtje in de rug en zegt je je liefjes voor te stellen aan de klas. Al vallend en opstaand vergaren we zo allerlei vaardigheden, kennis en wijsheden. ’s Werelds hoofdsteden, veters strikken, sommen met breuken en spreekwoorden leren we door te oefenen en fouten te maken. Hoe jonger we zijn, des te meer waardering we lijken te hebben voor de input van anderen en we ons zonder twijfel volzuigen met kennis. Juist omdat die klakkeloos verworven kennis niet per se bewonderenswaardig is (zie het tegenwoordig omstreden ABC-beleid in de V.S., erg grove teksten in sinterklaasliedjes van 15 jaar terug en de wereldwijd uiteenlopende vertelling van de geschiedenis), is het ook alleen maar goed dat deze fase niet eeuwig duurt.

Met een combinatie van je genen en opvoeding en de omstandigheden waar je in verkeert, kom je een later hoofdstuk in je leven tot een bepaald wereldbeeld. We denken op gegeven moment het nodige verstand van zaken te hebben: over lastige conflicten in de wereld, wat homoseksualiteit inhoudt, hoe een biertje te tappen, je op te stellen tegenover nieuwe contacten, welke politieke partij het bij het rechte eind heeft en hoeveel koekjes er bij de thee horen. En onze waarheid zal toch ook wel een logische set normen en waarden zijn voor vele andere mensen. Eenmaal gesterkt in deze bevindingen hebben we een wereldbeeld die niet teveel frictie oplevert met onze dagelijkse omgeving en onze media-intake. Naast de breuksommen en hoofdsteden zitten uiteindelijk ook niet langer bevraagde (potentieel onjuiste) overtuigingen vastgeroest in het hoofd. Zo ook bij mij.

Mijn ietwat linkse gedachtegoed werd door dit boek flink onder druk gezet. Sinds wanneer is het goed om egoïstisch te zijn en de gangbare ideeën per definitie af te wijzen?

….En toen las ik twee jaar terug een boek van radicale liberaal Ayn Rand – The Fountainhead. Ik kwam keer op keer in de knel met mijn eigen wereldbeeld. Rand vertelt haar visie dat egoïsme het altijd wint van (per definitie ongemeend) altruïsme. De hoofdpersoon in haar boek weigert als architect te ontwerpen in lijn met de dan (jaren ’30) dominante stroming naar voorbeeld van de Griekse oudheid. Zijn tegenhanger en in eerdere jaren medestudent, baseert zijn ontwerpen wél op de wens van de massa en is daarmee naar ook de huidige maatstaven ongelofelijk succesvol. Juist deze populaire tegenhanger is het die door Rand wordt weggezet als iemand om te minachten, terwijl de hoofdpersoon met zijn botte gedrag de hemel in wordt geprezen. Mijn ietwat linkse gedachtegoed werd door dit boek flink onder druk gezet. Sinds wanneer is het goed om egoïstisch te zijn en de gangbare ideeën per definitie af te wijzen? Sinds wanneer is het bevorderlijk anderen bot te benaderen zolang zij niks zelf onafhankelijk gecreëerd hebben?

Wat ik uiteindelijk van Rand leerde was een stukje individuele maakbaarheid waar ik voorheen niet voor open stond  – en zo creëert elke nieuwe overtuiging ook een nieuwe realiteit. Het is alleen al om die reden van belang als samenleving overtuigingen te bevragen. Een lichtend voorbeeld: John Stuart Mill was een kei in het weerleggen en bijschaven van zijn eigen stellingen – de personificatie van voortschrijdend inzicht. In zijn boek uit 1859, On Liberty, maakt hij zich sterk voor het aangaan van gesprekken met “andersdenkenden”. Zijn redenering is dat om te ontwikkelen als maatschappij het heersende gedachtegoed moet worden bevraagd en heilige huisjes omver getrapt. De status quo (of om het even welke overtuiging) koste wat kost verdedigen is daarmee een doodzonde. Een parallel met de wetenschap – mits goed uitgevoerde wetenschap – is hier te trekken. Alle zwanen waren wit, tot westerlingen in Australië het tegendeel zagen en de overtuiging werd aangepast.

Ik zou ervoor willen pleiten dat dwarsdenkers worden gekoesterd in de samenleving en liberalisme in haar oorspronkelijke vorm uitgedragen wordt. Mill heeft gelijk als hij zegt dat elk individu zijn eigen standpunt moet kunnen innemen. Al is het idee dat twee overtuigingen naast elkaar kunnen bestaan mogelijk belangrijker dan te hopen op een enkelvoudige waarheid. Echter, soms zit één van de partijen wel fout, en is verstoppen achter cultureel relativisme in genoeg gevallen ongewenst. Voor het bankwezen verwijs ik bijvoorbeeld graag naar een artikel van vorig jaar van Van Iperen op Follow the Money.

De neiging om volledig consistent te zijn conform één bepaald gedachtegoed is minder geworden.

Het boek dat ik twee jaar terug las, was me aangeraden door iemand die ik slechts één keer heb gesproken. Juist niet uit mijn zichzelf bevestigende cirkel. Dankzij een boek, waar je tenslotte moeilijk geïrriteerd mee in discussie kan gaan zoals me in een gesprek vast gelukt was, vergrootte ik mijn zienswijze. De neiging om volledig consistent te zijn conform één bepaald gedachtegoed is minder geworden. Evenals de overtuiging dat mijn wereldbeeld niet nog fors zal veranderen gedurende mijn leven. Tegenwoordig zet ik liever bij elk los vraagstuk actief vraagtekens in plaats van vast te willen houden aan één voorgeschreven vastomlijnde ideologie. Immers, als een boek je andere inzichten kan geven, is de kans groot dat er op heel veel punten nog angstaanjagend veel te leren is.

Hopelijk heb je iets aan het stappenplan en gaat het ons allemaal lukken als we met twijfel over het verstand van onze gesprekspartner eerst even tot tien tellen. 1 – 2 – 3… dan rustig uitademen, actief je eigen wereldbeeld opzij te zetten en de volgende woorden te spreken: “oké, interessant. Ik heb een ander idee daarbij, maar je bent vast om goede redenen tot dit inzicht gekomen, wil je het me uitleggen”. Het is geen makkelijke weg naar nieuwe inzichten en vaardigheden, maar he, je moet ergens beginnen. En alleen door te beginnen bij stap 1, leerde ik fluiten.

Young Critics draait volledig op donaties. Vond je dit artikel van Amée Leferink de moeite waard? En wil je graag meer van deze schrijver lezen? Steun ons dan in de vorm van een donatie. Alvast bedankt, we waarderen je steun enorm.