Splitsing in de mensheid

Eind augustus vorig jaar liep ik met een tweedejaars filosofiestudent door het C-gebouw van de Erasmus Universiteit. Ik vroeg haar wat de nadelen waren van een voltijd studie filosofie. Haar antwoord: “Rond februari kwam ik in een existentiële crises terecht. Maandenlang hadden de bizarre gedachten en verontrustende ideeën van de raarste denkers uit de geschiedenis mij om de oren geslagen met perspectieven op de wereld die mijn leven zo in een ander daglicht zetten, dat ik niet langer wist welk perspectief de juiste was. Ik leerde in een korte tijd dat er een overweldigende hoeveelheid manieren bestond om te kijken naar de wereld, om te kijken naar wetenschap en religie en media en oorlog en vrede en seks en liefde. Daar was ik niet op voorbereid. Plotseling kwam ik erachter dat ik twintig jaar van mijn leven in een zeepbel had doorgebracht, opgeblazen door mijn scholing, opvoeding en cultuur. Ik wist niets meer. Het was alsof met de basis van mijn denken ook de fundering voor mijn leven onder mijn voeten vandaan gerukt was.”

Zoiets zei ze, denk ik. Tussen januari en maart was zij niet in staat haar huis uit te komen. In zak en as heeft zij meer dan acht weken op de bank gezeten, met een stapel boeken en een fles wijn, niet bij machte om die verlammende veelzijdigheid aan informatie in behapbare brokjes in te delen in de ladekast van haar gedachten. Dus was haar hoofd een draaikolk van doorgebroken dogma’s, onopgeloste raadsels en stukjes gebroken bot van de figuurlijke val van duizend roze wolken. Ik dacht: ‘Wauw! Dit wil ik studeren.’

Filosofen proberen de verstrekkende gevolgen van deze nieuwe technieken te analyseren en te beschrijven, en sommigen van hen doen uitspraken over de rol van de politiek en de wetenschap hierin.

Het eerste blok bestond onder andere uit het vak ‘Hedendaagse uitdagingen.’ De literatuur voor dat vak bestond uit verscheidene teksten over actuele filosofische problemen. Eén van die problemen was, en is, de omgang met nieuwe technieken. Zoals prenatale screening. Ik leerde dat het technisch al mogelijk is om embryo’s te screenen op ziektes als multiple sclerose (MS). Filosofen proberen de verstrekkende gevolgen van deze nieuwe technieken te analyseren en te beschrijven, en sommigen van hen doen uitspraken over de rol van de politiek en de wetenschap hierin. Zo kan het selecteren van embryo’s aan de hand van de uitslag van zulke testen allerlei effecten hebben op de samenleving. Effecten die niet te voorspellen zijn.

Een voorbeeld: Stel nu dat prenataal screenen normaal is. Er zullen mensen zijn die weigeren zo’n test te doen, bijvoorbeeld uit religieuze overwegingen. De gelovige vader die een kind krijgt met MS, wordt dan waarschijnlijk met de nek aangekeken, omdat hij zo stom is geweest dit niet te voorkomen. Dat had immers makkelijk gekund. Opeens is een ouder verantwoordelijk voor een handicap waar men tot voor kort ‘that’s life’ over gezegd zou hebben. Verzekeringsmaatschappijen kunnen hierop inspelen door niet langer de extra zorgkosten voor een kind met MS te vergoeden. (Er zijn zelfs filosofen die het doemscenario van een uiteindelijke ‘splitsing van de mensheid’ onderschrijven: Een splitsing tussen de biologisch gemodificeerde mensen die toegang hebben tot de nieuwste techno-biologische ontwikkelingen en de mensen die dat niet hebben.)

Nu vraagt de filosoof: Is het de taak van de overheid om ouders hierin te beschermen? Of moet de wetenschap hier rekening mee houden? Geweldige vragen, als je het mij vraagt. Het antwoord heeft niemand, zo leerde ik tijdens dit eerste blok van de studie. Toch pretenderen zoveel wetenschappers, studenten en veel mensen in mijn nabije omgeving concrete uitspraken te kunnen doen over dergelijke tests. Zoals: ‘Als de testen beschikbaar zijn, moet iedereen maar zelf beslissen of ze die gebruiken of niet.’

Dergelijke uitspraken berusten bijna nooit op zorgvuldige analyses. Ook zijn ze vaak geworteld in hele omstreden aannames over keuzevrijheid, rationaliteit, verantwoordelijkheid, goed en kwaad, enzovoort. Deze aannames als voorbarige aannames ontmaskeren, dat is een de taak van de filosoof.

Hier zou ik graag één conventionele aanname over vrijheid willen ontkrachten: Meer keuze betekent meer vrijheid. Logisch, toch? Niet met de blik van de filosoof Isaihah Berlin. Vaak als filosofen lang over één ding nadenken, komen zij tot de conclusie dat er verschillende vormen van dat ding zijn, bedacht ik mij dit studieblok. Zo ook Berlin: Hij onderscheidt positieve en negatieve vrijheid. Positieve vrijheid is vrij zijn om (iets te doen), negatieve vrijheid is vrij zijn van (iets te moeten doen).

In positieve vrijheid is altijd een soort dwang besloten. Je bent vrij te kiezen wat je wilt, maar je moet kiezen. Bij negatieve vrijheid is dit anders, omdat iets of iemand anders de keuze maakt. In Nederland hoef je als zestienjarige niet te kiezen of je bier koopt in de supermarkt, want de overheid heeft de negatieve vrijheid van de zestienjarige vergroot door het kopen van alcohol te verbieden, of anders gezegd, door zijn positieve vrijheid te beperken. Meer keuze betekent dus meer vrijheid en tegelijkertijd minder vrijheid.

Meer keuze betekent dus meer vrijheid en tegelijkertijd minder vrijheid.

Diegene zo stellig beweerde: ‘Als de testen beschikbaar zijn, moet iedereen maar zelf beslissen of ze die testen gebruiken of niet,’ baseerde dit, denk ik, onbewust op de aanname dat je hiermee de vrijheid van de Nederlanders niet beperkt. De keuze is vrijheid en vrijheid is goed, redeneert hij. Maar het beschikbaar stellen van de test voor prenatale screening beperkt de negatieve vrijheid van Nederlandse ouders. Die realisatie dwong mij elke gedachte waar vrijheid in voorkwam, opnieuw te overdenken.

In maanden die hierop volgden brak ik nog veel meer concepten af. Er vervaagden veel ideeën en ik ontwaarde veel voorbarige aannames. Algemene uitspraken en standvastige meningen begon ik minder te waarderen. Zeker de mijne. Ik kon mij plotseling goed voorstellen hoe ik eenzaam op mijn bank zou belanden, met een stapel boeken en een glas wijn, peinzend over de zin van het leven.


Young Critics draait volledig op donaties. Vond je dit artikel van Max Koedood de moeite waard? En wil je graag meer van deze schrijver lezen? Steun ons dan in de vorm van een donatie of een kopje ☕ (€3,50)!

Alvast bedankt, door jou kunnen we blijven publiceren ☺

Hieronder kun je iets bijdragen aan het artikel of de discussie aangaan. Ben je het met Max eens? Waarom wel/niet?