Wat de prijs van suiker ons vertelt over het belang van politieke economie

De prijs van suiker: hoogstens heb je hier eens bij stil gestaan op het moment dat je je boodschappen aan het afrekenen was. Toch lijkt er, bij een eerste gedachte aan de totstandkoming van deze prijs, weinig aan de hand. Gewoon een kwestie van vraag en aanbod toch?

Niets lijkt minder waar te zijn bij het aanschouwen van de volgende grafiek (figuur 1). Want hoe kan het dat de Amerikaanse suikerprijzen zoveel hoger zijn dan die van de rest van de wereld? Dat lijkt toch meer te zijn dan slechts een kwestie van vraag en aanbod?

 

RENL

Figuur 1: Suikerprijzen (Verenigde Staten vs. wereldwijd). Uit onderzoek van Veronique de Rugy (2012).

 

Voor een deel is het zo dat suiker in de VS duurder is dan het wereldwijde gemiddelde omdat de VS een rijker dan gemiddeld land is. Toch vertelt dat niet het gehele verhaal: zo zijn tussen de eeuwwisseling en 2012 wereldwijde suikerprijzen met 170 procent gestegen, terwijl de Amerikaanse suikerprijs met 218 procent steeg (en dus meer dan verdubbelde). Bij de verkoop van een aantal kilo suiker scheelt dit misschien een of anderhalve euro; bij een heel suikerveld is het verschil in opbrengst in verschillende landen al snel honderdduizenden of miljoenen euro’s. Het verschil tussen de suikermarkt in de VS en andere landen is dus wel degelijk significant, en gaat voorbij aan vraag, aanbod en koopkracht.

Dit verschil is het gevolg van de buitengewone bescherming die Amerikaanse suikerproducenten krijgen. Zo genieten Suikerriet- en suikerbietboeren de mogelijkheid geld te lenen van de Amerikaanse overheid die ze middels hun opbrengst of via een hogere marktprijs af kunnen betalen. Zo zijn de producenten verzekerd van een opbrengst met een vaste (en heel schappelijke) ondergrens. Daarnaast wordt de Amerikaanse suikerproducent beschermd tegen buitenlandse concurrenten. De Amerikaanse overheid heeft een strikte marktcontrole, waarin iedere producent zich moet houden aan een quotum. Ook buitenlandse producenten, die naar de Amerikaanse markt willen exporteren, hebben te maken met een dusdanig quotum. Door de Amerikaanse suikerquota blijft het aanbod van suiker op de binnenlandse markt gereguleerd, terwijl de vraag onveranderd hoog blijft. Amerikanen drinken immers nog steeds massaal cola

Het zijn deze overheidsinstrumenten die ervoor zorgen dat suiker zoveel duurder is in de VS dan het wereldwijde gemiddelde. In een economiestudie zouden we daarom leren dat vraag en aanbod zich niet altijd in een vacuüm bewegen en niet altijd vrij spel hebben; quota’s en marktcontroles kunnen prijzen kunstmatig hoog houden en de economiestudent is precies in staat uit te rekenen wat de effecten van dergelijke reguleringen zijn.

Dit is echter maar het halve vraagstuk. Marktrestricties, en zeker van zulke forse aard als die in de suikerindustrie, komen namelijk niet zomaar uit de lucht vallen. Hoe kan het dat in een land als de Verenigde Staten, dat beroemd is om haar vrije markteconomie, de rol van de overheid zo groot is? Waar komt deze vorm van marktsocialisme vandaan?

Waar het nog over puur economische factoren gaat als men ziet dat de suikerindustrie met tientallen miljarden aan economische activiteiten en bijna een half miljoen (directe plus indirecte) banen belangrijk is voor de Amerikaanse economie, zijn prijsbepalende factoren al snel van politieke aard als blijkt dat regulering in andere agrarische industrieën, die net zo belangrijk zijn voor de Amerikaanse economie, helemaal niet zoveel bescherming krijgen van de overheid. Waarom de suikerindustrie dan wel?

De vraag waarom het zo is wordt niet gesteld.

Kandidaten voor Amerikaanse verkiezingen (bijvoorbeeld voor de Senaat) en leden van landbouwcommissies van het Congres (Senaat plus Huis) maken gebruik van geldfondsen (zogenaamde PAC’s). Grote donoren aan deze PAC’s helpen de kandidaat niet alleen, ze hebben ook een aanzienlijke invloed op de politieke agenda en concreet beleid — precies de reden dat campagnedonaties zo beladen zijn in het publieke debat. Lobbyorganisaties als de American Sugarbeet Growers Association en American Sugar Alliance spenderen jaarlijks miljoenen aan de PAC’s van leden van landbouwcommissies in Washington. Deze landbouwcommissies worden bevolkt door leden van de Senaat en het Huis van Afgevaardigden, mensen dus met grote politieke macht. In Washington zitten dan ook allerlei mensen op sleutelposities die zich financieel gesteund voelen door de suikerindustrie. Zij zijn in staat cruciale wet- en regelgeving te blokkeren, om te vormen of te initiëren. De Amerikaanse suikerindustrie is dan ook ontzettend groot én effectief in het behartigen van haar belangen in Washington.

Het is deze effectieve en grootschalige lobby die de suikerindustrie onderscheidt van andere agrarische sectoren, en het is dan ook geen toeval dat net Amerikaanse suikerproducenten zo beschermd worden. Zo vertelt het verhaal van de Amerikaanse suikerindustrie dat economische vraagstukken niet alleen gaan over vraag en aanbod of bedrijven die hun winsten willen maximaliseren; juist macht, lobby, belangengroepen en een institutionele structuur (waarin bijvoorbeeld grote sommen geld makkelijk toegang krijgen tot de politiek) spelen een centrale rol. Achter zoiets schijnbaar simpels als de prijs van een klontje suiker gaan dus complexe verhoudingen binnen een groot krachtenveld schuil.

Op deze wijze spelen politieke factoren een centrale rol in de economie. En juist voor deze politieke dimensie is geen oog in huidige economieopleidingen. Aandacht voor de vraag hoe het komt dat de suikerprijzen zo hoog zijn is er nog wel (de marktrestricties zelf). De vraag waarom dit zo is wordt niet gesteld. Economieopleidingen doen hiermee geen recht aan de complexiteit van de hedendaagse economie, waarin ook macht, belangen en een niet kwantificeerbare institutionele structuur een centrale rol spelen.

Het is gevaarlijk dat de economiestudent van vandaag, en dus de journalist, beleidsmaker en politicus van morgen, op deze wijze een verarmde wereldblik meekrijgt. De econoom zou als een kritische geest vorm moeten geven aan de samenleving. Met het simplisme en verarmde denken en zonder werkelijk inzicht in politiek-economische processen in de huidige economieopleiding wordt dit voor de econoom van morgen echter onmogelijk gemaakt.

Daarom is het van belang dat de kunstmatige muur die op dit moment is opgetrokken tussen de economische en politicologische wetenschap verdwijnt. Deze disciplines moeten meer kennis uitwisselen en grondiger bij elkaar in de keuken kijken. Dit vergt enerzijds een handreiking van de politicologie naar de economische discipline. Echter staat, als bijvoorbeeld gekeken wordt naar hoeveel verschillende disciplines elkaar citeren, de economische wetenschap op een eiland. De bal tot samenwerking licht daarom zeker ook in de voeten van de economische wetenschap zelf.

Een interdisciplinaire samenwerking gaat dan ook veel verder dan het verhaal achter de prijs van een pakje suiker. Zij komt voort uit de overtuiging dat de wereld een fundamenteel interdisciplinair gegeven is.

Op 15 juni aanstaande om 14:00 organiseert Rethinking Economics NL op de UvA (CREA theater, Roeterseilandcampus, Amsterdam) de lezing RE: The Invention of the Economy. In deze lezing zal universitair hoofddocent politieke economie van de UvA Daniel Mügge ingaan op de muur die is opgetrokken tussen de economie en politicologie op de Universiteit. Waar komt deze muur vandaan en hoe wenselijk is zij met het oog op de toekomst. Young Critics lezers en geïnteresseerden zijn uitgenodigd om gratis te komen luisteren en meedenken.

De foto komt van Catalin Besleaga.

Young Critics draait volledig op donaties. Vond je dit artikel van Rethinking Economics de moeite waard? En wil je graag meer van deze schrijver lezen? Steun ons dan in de vorm van een donatie.

Hieronder kun je iets bijdragen aan het artikel of de discussie aangaan. Ben je het met Rethinking eens? Waarom wel/niet?