Niet elke mening hoeft gerespecteerd te worden

Het is een misvatting om te denken dat tolerantie betekent dat we respect zouden moeten hebben voor elke mening. Er is immers een wezenlijk verschil tussen respecteren dat iemand het recht heeft om een eigen mening te vormen, en het respecteren van de gevormde mening.

Als iemand aangeeft een voorstander van slavernij te zijn, moet ik tolereren dat dit iemands mening is. De inhoud van deze mening hoef ik echter niet te respecteren omdat dit tegen mijn ethische overtuiging indruist, namelijk dat we allen gelijk zijn.

Zolang iemand met zijn mening de mensen niet oproept of aanzet tot gewelddadigheden, moet de mening getolereerd worden, hoe verwerpelijk die mening ook is. Een mening en de daarmee corresponderende handeling die enkel betrekking heeft op je eigen doen en laten en geen nadelige consequenties voor anderen meebrengt, valt immers binnen je eigen privé-sfeer.

Problematisch wordt het echter als men zijn mening in de praktijk wil brengen, daar waar het verder strekt dan het eigen doen en laten.

Stel je voor dat twee partijen een overeenkomst sluiten waarin jij als verkoopwaar verhandeld kan worden. Ze komen gezamenlijk allerlei afspraken overeen. Er wordt alleen vergeten dat hier een derde partij bij betrokken is wiens rechten en belangen voorop moeten staan aangezien die derde partij, in dit geval jij, de directe consequenties draagt van de onderling gemaakte afspraken.

Nu jij niet betrokken bent geweest bij deze overeenkomst en daarmee geen zeggenschap hebt kunnen uitoefenen op de inhoud ervan, maakt dit deze overeenkomst in strijd met de goede zeden, en dus nietig.

Klinkt logisch, toch?

Het vreemde is echter dat deze logica abrupt ophoudt, wanneer we deze derde partij vervangen door een niet-menselijke dier. We zien dieren enkel als verbruiksartikelen. We gebruiken ze op elke denkbare wijze; als voedsel, als kleding, voor onze entertainment, voor dierproeven, wetende dat dit direct indruist tegen hun wil en natuur om gevrijwaard te zijn van pijn, lijden en de dood.

We zien dieren enkel als verbruiksartikelen.

En hoewel het niet te miskennen is dat wij als menssoort beschikken over een hoge mate van intelligentie, zorgen onze mentale vermogens er niet voor dat wij daardoor aan de top van een ‘evolutionaire piramide’ komen te staan wat ons een vrijbrief verschaft om niet-menselijke dieren te gebruiken zoals het ons goeddunkt.

“Het is absurd om te zeggen dat de ene diersoort hoger staat dan de andere. Mensen hebben het vaak over die prachtige gebeurtenis – het verschijnen van de intelligente Mens – maar het verschijnen van insecten, met hun heel andere zintuigen, is mooier (…). Wie zal, kijkend naar het aardoppervlak dat is bedekt met de schitterendste bossen en savannen, durven te beweren dat intelligentie het enige doel in de wereld is?” Aldus Charles Darwin.

De ontdekking van Darwin dat mensen waren geëvolueerd, werd in zijn tijd als idee net zo verketterd als het thans onderkennen dat de menselijke moraal is ontsproten uit niet-menselijke dieren.

Het toekennen van emoties, empathie en sympathie aan dieren is een taboe waar weinig onderzoekers en biologen hun handen aan willen branden uit angst voor antropomorfistische tegenreacties.

De primatoloog Frans de Waal heeft met zijn onderzoeksresultaten naar diergedrag de voor veel mensen geruststellende illusie dat de mens een unieke soort is niet alleen ontkracht, maar ons ook de broodnodige inzichten verschaft naar de herkomst van de menselijke moraal.

De Waal zegt hierover: “Het zou raar zijn als een menselijke eigenschap als empathie, die zo algemeen voorkomt, zich zo vroeg in het leven ontwikkelt en zulke belangrijke neurale en fysiologische correlaten heeft, en ook nog eens een genetische voedingsbodem, geen evolutionaire continuïteit met andere zoogdieren vertoonde.”

Vreugde en verdriet, lusteloosheid en depressie, het ervaren van een eureka moment, het vormen van vriendschappen en het vertonen van altruïstisch gedrag zijn maar een aantal voorbeelden van emoties, gevoelens en gedrag die in het dierenrijk zijn vastgesteld.

Als wezens die begiftigd zijn met de rede zijn wij mensen in staat om een afweging te maken hoe we anderen willen behandelen wiens lot in onze handen ligt. Nu we weten dat dieren emoties hebben, pijn en verdriet kunnen ervaren, en kunnen lijden, rest ons de vraag waarom we er niet toe bereid zijn onze cirkel van compassie uit te breiden naar andere diersoorten dan enkel de menselijke soort.

Een denkbare reden voor de uitbuiting van dieren kan daarin berusten dat we het simpelweg kunnen. Oftewel: might is right! Maar het enkele feit dat we iets kunnen omdat we daar de macht over hebben, maakt onze handelingen niet gerechtvaardigd, noch geoorloofd.

Het gebruiken van dieren op welke wijze dan ook, is niet een persoonlijke keus of mening wat niemand anders aangaat. Het gebruik van een ander wezen strekt namelijk buiten de eigen privé-sfeer en brengt directe consequenties voor een ander met zich mee.

Van veganisten wordt vaak verlangd dat zij respect opbrengen voor de mening van vleeseters, omdat vleeseters ‘ook een veganistisch leefstijl kunnen respecteren.’

Een carnistische leefstijl heeft echter directe negatieve consequenties voor andere wezens, terwijl bij een veganistisch leefstijl wordt getracht deze negatieve consequenties voor zover dit redelijkerwijs mogelijk is niet in het leven te roepen dan wel te beperken.

Daarnaast wordt uitgegaan van de propositie dat een veganistische leefstijl en een niet-veganistische leeftstijl ethisch gelijkwaardig aan elkaar zijn. Dit is echter niet het geval.

Veganisme staat voor geweldloosheid en compassie. Daarmee sluit het uitbuiting, misbruik, slavernij en de toepassing van geweld van en op andere wezens uit.

Veganisme staat voor geweldloosheid en compassie. Daarmee sluit het uitbuiting, misbruik, slavernij en de toepassing van geweld van en op andere wezens uit.

Men kan onmogelijk uitbuiting en misbruik gelijkstellen aan gerechtigheid. Net zo min kan men stellen dat slavernij van gelijke waarde is als vrijheid, en geweldloosheid gelijk staat aan het uitoefenen van geweld. Onrechtvaardigheid en rechtvaardigheid zijn onverenigbaar.

De vraag is dan: Moeten we respect willen opbrengen voor het carnistische ideologie waarin dieren worden gebruikt en geconsumeerd, een ideologie waarbij geweld, onrechtvaardigheid en uitbuiting genormaliseerd en gepropageerd wordt?

Vrouwe Justitia draagt haar blinddoek omdat ze blind zou moeten zijn voor ras, kleur, religie en afkomst. Maar ze zou ook blind moeten zijn voor species. Is ze dit niet, dan brengt enkel het recht van de sterkste gewicht in de schaal, en verwordt haar zwaard enkel een instrument voor terreur.

De meer dan 150 miljard dieren die elk jaar in de vlees- ei- en zuivelindustrie gedood worden voor menselijke consumptie herinneren ons aan dit pijnlijke tragedie.

Young Critics draait volledig op donaties. Vond je dit artikel van Nina Adel de moeite waard? En wil je graag meer van deze schrijver lezen? Steun ons dan in de vorm van een donatie. Alvast bedankt, we waarderen je steun enorm.