Waarom we soms collectief de verkeerde kant op lopen

In het economieonderwijs wordt studenten veel te weinig geleerd om zorgvuldig om te springen met wiskundige modellen. In het grootste deel van de economie-opleiding wordt studenten in korte bijzinnen verteld dat het realiteitsgehalte van assumpties en causale relaties binnen het model te wensen overlaat, waarna de werkelijkheid vrolijk verder verwiskundigd wordt en de voeling met de realiteit langzaam uit beeld verdwijnt. Dit is problematisch, omdat de economen van de toekomst zichzelf hierdoor niet langer begrijpen. Om dit te voorkomen, is het centraal stellen van het real-world perspectief in Nederlandse economieopleidingen noodzakelijk.

In de huidige economische wetenschap nemen modellen een steeds centralere plek in. Deze modellen pogen iets te zeggen over de werkelijkheid. Deze werkelijkheid is echter niet statisch. Zo kan in een specifieke casus bijvoorbeeld de Verenigde Staten veel baat hebben bij internationale vrijhandel, omdat dit de Verenigde Staten in staat stelt de hegemoniale staat te zijn in een wereldeconomie waar vrijhandel relatieve stabiliteit garandeert en de VS zo haar positie kan behouden. Tegelijkertijd kan internationale vrijhandel in het nadeel zijn van kleinere landen, die weggeconcurreerd dreigen te worden en misschien juist wel baat hebben bij een meer protectionistische internationale economie. Hetzelfde geld bijvoorbeeld voor de relatie tussen de instituties en de markt binnen bepaalde landen. Zo zullen Angelsaksische landen er vanuit het oogpunt van innovatie baat bij hebben dat instituties relatie weinig interveniëren in de economie en de private sector relatief groot is ten opzichte van de collectieve sector. Tegelijkertijd zullen Duitsland of Scandinavische landen vanuit het oogpunt van stabiliteit juist baat hebben bij sterk coördinerende instituties binnen een sterke collectieve sector.

Eén optimaal economisch utopiemodel bestaat dan ook niet, omdat verschillende landen en ondernemingen baat hebben bij economieën met verschillende kenmerken.

Eén optimaal economisch utopiemodel bestaat dan ook niet, omdat verschillende landen en ondernemingen baat hebben bij economieën met verschillende kenmerken. Wiskundige modellen kunnen binnen de economische wetenschap dan ook niet gebruikt worden om iedereen de absolute waarheid te vertellen. Meer kan zij gebruikt worden om duidelijk te maken dat de werkelijkheid afhankelijk is van bepaalde contexten, en van welke factoren in deze bepaalde context een gewenst doel (bijvoorbeeld groei, werkgelegenheid of een goed pension) afhankelijk is. Een econoom gebruikt het wiskunde gereedschap dus juist om zijn of haar eigen model afhankelijk van de context samen te stellen. Een goede econoom is daarmee in staat binnen bepaalde context de juiste causale verbanden tussen oorzaak en gevolg te leggen.

Het is dan ook een misvatting dat economisch-wiskundige modellen vanuit de geschiedenis een soort evolutionair pad bewandelen, waarin we met z’n allen langzaam maar zeker op weg zijn naar het ultieme model. De taak van de goede econoom ligt dan ook niet in het vinden van het ultieme model; veel meer is het een uitdaging om de causale relaties zo te verbinden dat hoofzaken van bijzaken gescheiden worden en de werkelijkheid zo accuraat mogelijk beschreven wordt. Pas dan heeft de econoom een goed en bruikbaar model.

Twee dingen zijn daarom belangrijk: de student moet ontdekken hoe hij een model samen moet stellen en de student moet leren op welke manier hij vanuit een bepaalde context dit model samen moet stellen. Op dit moment verschuilt de economiestudent zich te veel in haar ivoren toren, waardoor ze alleen aandacht besteedt aan hoe ze een model samen moet stellen. Vragen als “welke causale relaties zijn logisch binnen een specifieke werkelijkheid? En wat leert mij dat over hoe ik mijn model moet ontwikkelen of welk model ik moet gebruiken?” blijven dus in grote mate liggen.

Op het moment dat de realiteit terugslaat is de pijn voor iedereen extra hard voelbaar.

Dit is zonde en gevaarlijk. Het is zonde omdat op deze manier economen opgeleid worden die, ondanks de belangrijke rol die wiskundige modellen tegenwoordig in onze economische opleiding innemen, paradoxaal genoeg belangrijke aspecten voor het functioneren van modellen over het hoofd zien. Een kans om een betere econoom te worden wordt zo dus gemist. Belangrijker nog is dat het gevaarlijk kan zijn. Verschillende historische gebeurtenissen laten helaas zien dat een te sterke fixatie op wiskundige modellen an sich en te weinig aandacht voor de context van deze modellen en de voeling met de realiteit leiden tot een op papier perfect werkend model dat de praktijk uit het oog verliest. Als het publiek vol goed geloof vervolgens collectief achter dit model aanloopt, loopt men massaal de verkeerde kant op. Op het moment dat de realiteit dan terugslaat, is de pijn voor iedereen extra hard voelbaar.

Het is daarom van het grootste belang dat er in het Nederlandse economie-onderwijs niet alleen aandacht komt voor diversiteit aan benaderingen, geschiedenis en wetenschapsfilosofie; ook het real-world perspectief moet een centrale rol krijgen binnen de opleiding. Alleen dan zullen goede economen in staat zijn modellen zo te gebruiken dat zij de samenleving niet langer tegenwerken, maar deze juist van dienst zijn.

Young Critics draait volledig op donaties. Vond je dit artikel van Rethinking Economics de moeite waard? En wil je graag meer van deze schrijver lezen? Steun ons dan in de vorm van een donatie.

Hieronder kun je iets bijdragen aan het artikel of de discussie aangaan. Ben je het met Rethinking eens? Waarom wel/niet?