Dit doet Nederland om een aanslag te voorkomen

Gisteren werd Brussel opgeschrikt door twee gruwelijke terreuraanslagen. Op het vliegveld Zaventem bliezen meerdere terroristen zich op en ruim een uur later, in metrostation Maalbeek, kwam een derde explosief tot ontploffing. Het gevolg: tientallen doden en gewonden, chaos in de stad en een complete lockdown. Terreurnetwerk IS heeft de aanslag inmiddels opgeëist en gewaarschuwd dat er voor Europa nog vele zwarte dagen in het verschiet liggen. Dat dit geen loze dreigementen zijn, is de afgelopen jaren wel gebleken. Eerst Charlie Hebdo, toen de mislukte aanslag in de Thalys, vervolgens de aanslagen in Parijs en nu de dubbele aanslag in Brussel. Het bereik van deze terreurgroep is indrukwekkend. ‘Laat je niet leiden door angst’, is het advies van politici, maar wanneer terreur een structureel probleem wordt, is het onvermijdelijk dat mensen bang worden – zeker in West-Europa, waar mensen gewend zijn aan vrijheid, vrede en stabiliteit.

Loopt Nederland gevaar?

Ook in Nederland heerst onrust in de samenleving. Nuchterheid maakt plaats voor paranoia en uiteenlopende opvattingen zorgen voor polarisering onder zowel politici als het volk. Uit het oprollen van de Hofstadgroep, een terreurcel in de Haagse Schilderswijk, bleek jaren geleden weliswaar dat onze veiligheidsdiensten prima in staat zijn om terreurnetwerken op te sporen, maar vergeleken met de Syriëgangers met wie we nu te maken hebben, waren de leden van de Hofstadgroep een stelletje amateurs. Aanslagen zoals we die gisteren in Brussel zagen, waren voor hen veel te hoog gegrepen.

Toch is het belangrijk om de zaken in perspectief te plaatsen. Terreur is bovenal een daad van machteloosheid, en een dynamische samenleving als de onze raakt echt niet zomaar ontwricht. Tot dusver zijn er bovendien geen concrete aanwijzingen voor op handen zijnde aanslagen in Nederland en daar zijn goede redenen voor. Nederland heeft een overheid met een sterk veiligheidsbeleid en een goed georganiseerde inlichtingendienst die nauw samenwerkt met politie en defensie. Dit in tegenstelling tot België, waar bezuinigingen op het veiligheidsapparaat, een falend integratiebeleid en een labiele overheid de laatste jaren een voedingsbodem creëerden voor radicalisering. In Nederland kennen we geen geradicaliseerde wijken zoals in Brussel en Parijs en hebben we beduidend minder Syriëgangers. Kortom: als het op terreurbestrijding aankomt, doen we het in Nederland betrekkelijk goed. Toch is het dreigingsniveau in ons land momenteel ‘substantieel’. Het dreigingsniveau wordt overigens gekenmerkt als substantieel wanneer er sprake is van een combinatie van de volgende gevallen:

  • Er worden nieuwe trends en fenomenen waar dreiging vanuit gaat ontdekt
  • De kans dat een aanslag in Nederland zal plaatsvinden is reëel
  • Aanslagen vinden plaats in andere, met Nederland vergelijkbare landen
  • Radicalisering en rekrutering vinden op aanzienlijke schaal plaats
  • Nederland wordt geregeld genoemd in verklaringen van serieus te nemen terroristische netwerken

Wat doet de overheid om terreur tegen te gaan?

Zoals je ziet ontkomen ook wij niet aan het lugubere idee dat een aanslag op eigen grondgebied een reëel gevaar vormt. Soft targets – de plekken waar wij winkelen, reizen, wandelen en sociaal zijn, kortom: de plekken waar wij ons dagelijks leven leiden – zijn immers doelwitten die lastig te beveiligen zijn. Op het vliegveld van Brussel liepen gewapende marechaussees; desalniettemin kon er een aanslag worden gepleegd. Toch betekent dit niet dat wij hetzelfde gevaar lopen. Beveiliging begint namelijk niet bij gewapende marechaussees, maar bij het integratie- en veiligheidsbeleid van een land. Een goed integratiebeleid heeft bijvoorbeeld een sterk preventieve werking. Door mensen onderdeel te laten zijn van de samenleving, kan radicalisering worden voorkomen. Dit gebeurt onder meer door een stabiel netwerk te bouwen rondom geradicaliseerde personen (of personen die hier mogelijk vatbaar voor zijn). Scholen, ouders, wijkagenten, buurtbewoners en gemeentes spelen daarin stuk voor stuk een rol. Soms is die rol ondersteunend, soms controlerend. Ook wordt er streng gecontroleerd op websites die oproepen tot haat, geweld en discriminatie, omdat deze sites mensen op ideeën kunnen brengen. Het devies is: laat mensen niet aan hun lot over, maar betrek hen in de samenleving. De banlieues van Parijs en de achterstandswijken in Brussel laten haarfijn zien dat Frankrijk en België hier te weinig aandacht aan hebben besteed. Het gevolg: maatschappelijke spanning, isolatie en radicalisering. Dit betekent niet per definitie dat de overheid verantwoordelijk is voor radicalisering, maar het betekent wel dat van een sterk sociaal beleid een preventieve werking uitgaat.

Minstens zo belangrijk als integratie en sociaal beleid, is het veiligheidsbeleid van een land. Wil een terrorist aanslagen plegen, dan moet hij namelijk eerst door de netten van de veiligheidsdiensten zien te glippen. ‘Makkie,’ denk je nu, maar niets is minder waar. Een terrorist kan echt niet zomaar met een bom en een geweer een metrostation binnenstappen. Om bommen te maken, heb je materialen nodig en om Kalasjnikovs aan te schaffen, moet je contact leggen met wapenhandelaars, die op hun beurt weer contact leggen met leveranciers. Kortom: een terrorist is geen einzelgänger, maar onderdeel van een groter netwerk. Binnen dat netwerk worden de benodigde wapens en materialen aangeschaft, wat allerlei illegale transacties tot gevolg heeft. De recherche, de AIVD (Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst) en de BSB (Brigade Speciale Beveiligingsopdrachten) hebben mensen in dienst die over geavanceerde middelen beschikken om deze transacties te onderscheppen, maar ook om terreurverdachten te bespioneren. Dit gebeurt vaak in samenwerking met andere Europese landen. Pieter Cobelens, oud-baas van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, vergelijkt het opsporen van verdachte activiteiten met een stofzuigerzak: je zuigt eerst alle informatie op en gaat vervolgens in die zak op zoek naar bruikbare informatie. Ook vergeleek hij het met een trui: als je één draadje lospeutert, kun je de hele trui uit elkaar trekken. Kortom: wordt er een verdachte transactie gevonden, dan kan men dit vaak herleiden naar een persoon, diens netwerk en eventuele plannen voor een aanslag. Om vervolgens tot actie over te gaan, zijn er diverse wetten in het leven geroepen die het mogelijk maken om snel en efficiënt in te grijpen.

Het opsporen van verdachte activiteiten is vergelijkbaar met een stofzuigerzak: je zuigt eerst alle informatie op en gaat vervolgens in die zak op zoek naar bruikbare informatie.

Een goed georganiseerd inlichtingenapparaat ziet dus vaak op voorhand dat er aanslagen worden voorbereid en kan de terreurcel die zich daarmee bezighoudt vroegtijdig stoppen. Dat brengt wel allerlei dilemma’s met zich mee. Wil je veiligheid bieden, dan is privacy schenden bijvoorbeeld onvermijdelijk. Maar wie privacy schendt, loopt het risico om op spoken te jagen. In Parijs zie je dat veelvuldig gebeuren: onschuldige mensen worden van hun bed gelicht door arrestatieteams, zonder dat er enig bewijs tegen hen bestaat. De conclusie is niettemin dat het voor terroristen ongekend moeilijk is om door de netten van een goed georganiseerde veiligheidsdienst te glippen. Het feit dat er sinds de aanslagen van 9/11 meer dan vijftig aanslagen in Europa zijn voorkomen, bewijst dat ruimschoots.

En wat als er toch een aanslag plaatsvindt?

Wat als er in Nederland toch terroristen zijn die door de netten van de veiligheidsdiensten glippen? Wat als ze al hun transacties contant afhandelen en hun plannen mondeling bespreken, in plaats van via internet en telefoon? Wat als de overheid simpelweg niet kan achterhalen dat er plannen voor een aanslag zijn? Wat als er morgen, overmorgen of volgende week een treinstation op z’n kop wordt gezet door in het rond schietende terroristen met bomvesten?

Hoewel reguliere politieagenten waarschijnlijk als eerste ter plaatse zijn, zijn zij niet getraind om het op te nemen tegen terroristen met bomvesten en Kalasjnikovs. Met een pistool kun je namelijk niets beginnen tegen een automatisch geweer (zie hieronder een angstaanjagende filmpje van de aanslagen in Parijs om een beeld te krijgen van de kracht van een Kalasjnikov) en bovendien zijn agenten niet getraind in het beëindigen van terreuracties.

De politie zal zo goed en zo kwaad als het kan de eerste voorbereidingen treffen, maar het zijn speciaal getrainde antiterreureenheden die het uiteindelijk tegen de terroristen zullen opnemen. De procedures hieromtrent zijn natuurlijk geheim, maar over de inzet van speciale eenheden tijdens een dergelijk rampenscenario is aardig wat informatie beschikbaar. Op televisie hebben we de beelden van Brussel en Parijs veelvuldig kunnen zien: gemaskerde mannen die met automatische geweren op terroristen jagen.

Reguliere politieagenten kunnen niets beginnen tegen terroristen met bomvesten en Kalasjnikovs.

Ook in Nederland maken we gebruik van dit soort gemaskerde mannen. Maar wie zijn zij? En zijn ze daadwerkelijk bestand tegen een gewapende opponent die zijn leven onderschikt maakt aan een religieus doel? Het antwoord daarop is zonder enige twijfel: ja. Dit zijn namelijk niet zomaar soldaten, dit zijn mannen die behoren tot de Dienst Speciale Interventies (DSI), een team van verschillende special forces-eenheden die zich kunnen meten met de beste van de wereld. De DSI bestaat uit antiterreureenheden van onder andere het Korps Mariniers en de Koninklijke Marechaussee en opereert onder de vlag van het Openbaar Ministerie en het Ministerie van Defensie. Ze werken veelvuldig samen met gespecialiseerde politieteams en trainen dag in dag uit in het beëindigen van kapingen, gijzelingen en terreuraanslagen, en in het herkennen en onschadelijk maken van explosieven.

Een van die speciale DSI-teams is de Maritime Special Operations Unit (MARSOF), een eenheid van het Korps Mariniers. Hun training en inzet is vergelijkbaar met dat van het Korps Commandotroepen, maar in tegenstelling tot die laatstgenoemde, opereren de MARSOF-operators niet alleen in landen zoals Afghanistan, waar ze veelvuldig hebben gejaagd op Talibanleiders, maar ook binnen onze eigen landsgrenzen. De mariniers hebben verschillende specialiteiten. Eén daarvan is anti-terreuroptreden en is in handen van het zogenaamde M-Squadron. Dit zijn de mannen die je tijdens grote evenementen met sniper rifles op de daken ziet liggen. Ook worden ze ingezet als er bijvoorbeeld een schietpartij is op een universiteit. Een aantal jaar geleden dook dit spectaculaire filmpje op waarin te zien is hoe ze het opnemen tegen Somalische piraten:

Het M-Squadron werkt nauw samen met de Brigade Speciale Beveiligingsopdrachten (BSB) van de Koninklijke Marechaussee. De BSB heeft arrestatie-, observatie- en beveiligingsteams en behoort eveneens tot de special forces van Nederland. Hun observatieteams zijn, in tegenstelling tot die van de AIVD, bewapend en belast met het bespioneren van criminelen en terreurverdachten. Herkennen zul je ze niet, want ze lopen tijdens hun observaties in burgerkleding door de stad. Ze zijn evenals de mariniers gespecialiseerd in het beëindigen van gijzelingsacties, maar worden ook ingezet om hoogwaardigheidsbekleders in oorlogsgebied te beveiligen. Daarnaast werken ze als air marshal, wat wil zeggen dat ze undercover meereizen met vliegtuigen om op te treden in geval van een kaping. Lees hier een interview met een van de air marshals. Dit radiofragment biedt ook de nodige informatie. Voor een visueel kijkje in de keuken van de BSB, raad ik je dit filmpje aan.

Conclusie

Door het preventief aanpakken van radicalisering probeert onze overheid de kans op een aanslag te beperken. Een met zorg samengesteld integratiebeleid, een goed inlichtingenapparaat en nauwe samenwerking met de rest van Europa spelen daarin een sleutelrol. Toch is het een illusie dat je een aanslag te allen tijde kunt voorkomen. Onze overheid weet dat ook en heeft de afgelopen jaren flink geïnvesteerd in de vorming en training van de Dienst Speciale Interventies. Deze gevreesde special forces-soldaten behoren tot de absolute wereldtop en weten als geen ander hoe ze een terreuraanval moeten beëindigen.

Ondanks de vele maatregelen die Europa de afgelopen jaren heeft genomen, zijn we gisteren wederom door terreur aan het wankelen gebracht. Vallen zullen we echter nooit. Laten we dus niet bang zijn, maar wel behoedzaam. Niet wanhopig, maar wel verdrietig. En laten we vooral niet naïef zijn, want we zijn gisteren opnieuw met onze neus op de feiten gedrukt: vrijheid is niet vanzelfsprekend, maar komt met een prijs. Koester dat, want de vrijheid die wij hebben, is lang niet iedereen gegund.

Young Critics draait volledig op donaties. Vond je dit artikel van Ari Vogelaar de moeite waard? En wil je graag meer van deze schrijver lezen? Steun ons dan in de vorm van een donatie. Alvast bedankt, we waarderen je steun enorm.