Ontwikkelingssamenwerking: zinvol of bodemloze put?

Er gaan veel doemverhalen rond over ontwikkelingshulp. Het zou bijvoorbeeld in handen vallen van rebellen, corrupte, dictatoriale regeringen en malafide organisaties. Wat zijn nu eigenlijk écht de resultaten van tientallen jaren ontwikkelingssamenwerking? Tijd voor een duik in de cijfers.

Jake Stimpson fotoari

Er worden jaarlijks reusachtige bedragen aan Afrika gedoneerd, maar het is nog steeds een werelddeel dat gebukt gaat onder oorlog, honger, ziekten en politieke chaos. Er gaan dan ook veel doemverhalen rond over ontwikkelingshulp. Het zou bijvoorbeeld in handen vallen van rebellen, corrupte, dictatoriale regeringen en malafide organisaties. Maar is dit eigenlijk wel waar? En wat zijn nu eigenlijk écht de resultaten van tientallen jaren ontwikkelingssamenwerking? Tijd voor een duik in de cijfers.

Kosten en doelen

Volgens de richtlijnen van zowel de EU als de VN dient elk land zo mogelijk 0.7% van het BNP aan ontwikkelingssamenwerking te besteden. Het BNP is het zogenaamde Bruto Nationaal Product: de waarde van alle goederen en diensten die per jaar door een land worden geproduceerd. Nederland geeft dit jaar zo’n 3.7 miljard euro uit aan ontwikkelingssamenwerking en grofweg de helft daarvan gaat naar armoedebestrijding in Afrika. De afgelopen vijftig jaar heeft Nederland meer dan 140 miljard euro in ontwikkelingshulp geïnvesteerd. Dat klinkt natuurlijk als een cyclopisch bedrag, maar wanneer we dit vergelijken met de kosten van de oorlog in Irak – die wereldwijd maar liefst 1.5 biljoen euro kostte – valt dat relatief mee. Desondanks mogen we best stellen dat de kosten voor ontwikkelingshulp erg hoog zijn en dat er alsnog meer dan een miljard mensen in armoede leven. Met name rechtse politici roepen daarom dat we er onmiddellijk mee moeten kappen – we hebben het vanwege de economische crisis immers al zwaar genoeg en het helpt toch niet. Anderen menen dat ontwikkelingssamenwerking een morele must is, maar dat we het helemaal verkeerd aanpakken.

Door verscheurde landen als Congo en Liberia vraag je je soms af of we er überhaupt mee door moeten gaan.

Er zijn drie vormen van ontwikkelingshulp. De grootste daarvan is bilaterale hulp, dat wil zeggen dat twee regeringen – bijvoorbeeld Nederland en Zambia – samenwerken om de situatie in het ontwikkelingsland te verbeteren. Een andere vorm is multilaterale hulp. Hier wordt hulp verstrekt door bijvoorbeeld de Verenigde Naties, de Wereldbank of de Europese Unie. Dit soort organisaties ontvangen subsidie om ontwikkelingsprogramma’s op te zetten. Ten slotte zijn er nog de zogenaamde non-gouvermentele organisaties, ook wel ngo’s genoemd. Dit zijn onafhankelijke instituten die hun geld halen uit donaties van particulieren. De uitvoerders van ontwikkelingssamenwerking – overheden, multilaterale organisaties of ngo’s – worden ook wel ‘donors’ genoemd. De belangrijkste ontwikkelingsdoelen zijn volgens onze overheid veiligheid en rechtsorde, water, voedselzekerheid en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten.

Als we beelden zien van door armoede verscheurde landen zoals Congo en Liberia vragen we ons allemaal wel eens af of we hier überhaupt mee door moeten gaan. ‘Je moet er gewoon een koepel overheen plaatsen en dan vijftig jaar wachten,’ zei een bekende van me ooit. Tsja, dat lijkt me dan weer niét de ideale manier, maar zijn punt is duidelijk: wat we nu doen werkt niet, dus kunnen we er net zo goed mee kappen en Afrika aan zijn lot overlaten. Laten we aan de hand van de feiten eens proberen te achterhalen of daar een kern van waarheid in zit…

Goede en slechte investeringen

Onderzoek van de IOB (Inspectie Ontwikkelingssamenwerking en Beleidsevaluatie) wijst uit dat het de laatste jaren een stuk beter met arme landen gaat dan de media ons wil doen geloven. Natuurlijk is er sprake van oorlog, terreur, honger, aids en corruptie, maar tegelijkertijd neemt de armoede wereldwijd af, is er minder kindersterfte en verbetert het onderwijs. Dit is mede te danken aan de Milleniumdoelen die begin deze eeuw door westerse landen zijn geïntroduceerd om wereldwijde armoede te bestrijden. Waarom lijkt het dan alsof het alleen maar slechter gaat in de Derde Wereld? Daar is geen eenvoudig antwoord op te geven, maar de media speelt hierin in elk geval een belangrijke rol. Mensen horen nu eenmaal liever schokkend nieuws dan goed nieuws en de schrijnende beelden van platgebrande dorpen, kindsoldaten, kleuters met oedeembuikjes en met insecten bedekte vrouwen die waterkruiken op hun hoofd dragen en borsten hebben die nog het meest doen denken aan uitgedroogde zandheuvels, worden ons al van kleins af aan op dagelijkse basis voorgeschoteld. Over de steeds positievere volksgezondheidscijfers in Afrika hoor je echter weinig, evenals over de afname van honger, de indamming van ernstige ziektes zoals polio en de technologische en economische groei rondom de evenaar. Zo is het aantal doden door malaria de afgelopen jaren met 80% afgenomen, zijn de pokken dankzij een grootschalig project in de jaren tachtig uit Afrika verdwenen en zijn cholera en diarree door uitdroging de afgelopen dertig jaar met 65% afgenomen. De toegang tot onderwijs in arme landen is daarnaast flink gestegen, extreme armoede teruggedrongen en kindersterfte gehalveerd.

Toegang tot onderwijs in arme landen is flink gestegen, extreme armoede teruggedrongen en kindersterfte gehalveerd.

De IOB is echter beslist niet uitsluitend positief en ook uit publicaties van het Ministerie van Ontwikkelingssamenwerking blijkt dat de Nederlandse bijdrage aan ontwikkelingssamenwerking wisselvallige effecten heeft. Uit onderzoek komt bijvoorbeeld naar voren dat Nederland in het vorige decennium veel verkeerde investeringen heeft gedaan. Zo is er te weinig geld besteed aan landbouwsteun – voor Afrikaanse landen een belangrijke manier om de economie aan te zwengelen en honger te bestrijden – en teveel geld aan het kwijtschelden van schulden (wat volgens onderzoek bijzonder weinig effect heeft). Die laatstgenoemde investeringen blijken dan ook in een bodemloze put verdwenen te zijn, want het heeft niets aantoonbaars opgeleverd. Andere investeringen, onder meer in onderwijs en watervoorziening, blijken wel weer effectief, hoewel het onderwijs in onder meer Zambia en Oeganda nog ver onder de maat is.

Kapitalistische belangen

Er zijn wetenschappers – doorgaans economen – die menen dat er in het kapitalistische Westen een flinke landbouwlobby is die er helemaal niet op zit te wachten dat Afrika zich agrarisch ontwikkelt. Nog meer spelers op het handelsspeelbord zou hen immers problemen op kunnen leveren; zeker wanneer de nieuwkomers goederen aanbieden tegen een lage prijs. Het kapitalisme maakt het dan ook complex om de Derde Wereld te helpen. Amerikaanse subsidies op binnenlandse katoenproductie liggen bijvoorbeeld hoger dan het bedrag dat jaarlijks aan ontwikkelingssamenwerking in West-Afrika wordt besteed, en dat terwijl voor sommige Afrikaanse landen katoenhandel de voornaamste inkomstenbron is. Dezelfde schrijnende toestanden kom je tegen in de melkvee – tabak – en suikerindustrie. Het wordt voor arme landen verdomd moeilijk om op deze manier internationaal te concurreren. Het resultaat: de economische groei stagneert of neemt af en het land krijgt niet de gelegenheid om zelfstandig te worden.

Voor – en tegenstanders

Ondanks verkeerde investeringen lijkt ontwikkelingshulp op veel fronten heel effectief te zijn. De toenemende welvaart in Afrikaanse landen is echter niet perse te danken aan het geld dat wij in hen investeren. Ontwikkelingssamenwerking lijkt volgens cijfers namelijk maar voor een klein deel bij te dragen aan de economische groei, en de landen in Afrika die de meeste hulp hebben gekregen, vertonen veelal lage groeicijfers. Hoe dat komt? Lastig te zeggen. Sceptici menen dat wanneer er teveel hulpgeld beschikbaar is de binnenlandse prijzen van een land stijgen door inflatie. Exportproducten worden hierdoor erg duur en de concurrentiepositie van het land wordt ondermijnt. Het gaat hier echter om aannames die moeilijk getoetst kunnen worden. Experts zijn het op dit gebied dan ook totaal niet met elkaar eens.

Sinds de Koude Oorlog wordt er dankzij strenge controles vanuit het Westen steeds minder ontwikkelingsgeld verkeerd besteed.

Een ander kritiekpunt is dat hulpgeld afhankelijkheid in de hand zou werken, terwijl arme landen nu juist moeten leren om op eigen benen te staan. Zowel voor- als tegenstanders zijn het er daarnaast over eens dat hulpgeld corruptie bevordert en de vaak reeds labiele democratieën ondermijnt. Dit gebeurt veelal doordat onbetrouwbare regeringen met ons samenwerken – bilaterale hulp – en een deel van het geld naar hun eigen rekeningen wegsluizen, terwijl ze de rest besteden aan selectieve projecten die hen bijvoorbeeld extra stemmen opleveren. Dit is echter lang niet meer zo erg als vroeger. Sinds de Koude Oorlog wordt er dankzij strenge controles vanuit het Westen steeds minder ontwikkelingsgeld verkeerd besteed. Dat het nog altijd plaatsvindt, staat echter buiten kijf. Donoren proberen dit veelal te voorkomen door het geld alleen te schenken aan landen met een transparante, eerlijke overheid of het te investeren in specifieke projecten, liefst uitgevoerd door ngo’s en multilaterale organisaties zoals de VN. Helaas kan vaak maar moeilijk gecontroleerd worden of dit slaagt, waardoor we afhankelijk zijn van cijfers achteraf (die cijfers op hun beurt bieden trouwens al net zomin een sluitende conclusie). Experts pleiten voor strenger toezicht op de uitgaven van ontwikkelingslanden. Dit kan bijvoorbeeld door te investeren in controleorganen die rekenkamers opzetten, de uitgaven van overheden in de gaten houden en het landelijke justitieapparaat helpen hervormen.

Tenslotte zijn sceptici van mening dat een te hoog percentage van het geld in de zakken van de Westerse ontwikkelingsorganisaties zelf belandt. Het gaat hier om zo’n tien tot vijftien procent van de totale jaarlijkse uitgaven; rond de 0.4 miljard euro per jaar. Dit is echter zo goed als onvermijdelijk. Personeel en logistiek moeten immers betaald worden en het plannen van grootschalige projecten kost nu eenmaal veel geld. Uiteindelijk is die 10% dan ook grotendeels een indirecte investering in de Derde Wereld – zonder die investering zou het opzetten van ontwikkelingsprojecten simpelweg niet mogelijk zijn.

Ondanks alle kritiek is ongeveer de helft van de Nederlanders voorstander van ontwikkelingssamenwerking. Een deel daarvan vindt wel dat de jaarlijkse uitgaven te hoog zijn. De economische crisis speelt hierin natuurlijk een rol. Onder politici bestaat er eveneens verdeeldheid. Vooral rechts van het spectrum bestaat scepsis. De VVD wil bijvoorbeeld slechts 0.44% van het BNP aan ontwikkelingssamenwerking besteden en de PVV ziet het liefst helemaal geen geld meer naar ontwikkelingslanden gaan. Linkse partijen daarentegen zijn een stuk vrijgeviger. Zij willen zich houden aan de normen van de EU en de VN. De Partij voor de Dieren wil zelfs een verhoging naar 1% van het BNP.

Dus… nuttig of bodemloze put?

Laat me je teleurstellen: er is geen eenduidig antwoord, want de waarheid heeft nu eenmaal de irritante neiging om ergens in het midden te liggen. De nut-of-bodemloze-put-discussie berust dan ook vooral op perspectief. Mocht je hopen dat ontwikkelingssamenwerking heel Afrika er bovenop gaat helpen, dan ben je in elk geval naïef. Arme landen raken namelijk echt niet uit het slop door Westerse investeringen, maar door de inzet van overheden, burgers en ondernemers in het land zelf. Zonder hard werken komen ze er niet. Natuurlijk helpen Westerse investeringen een economie draaiende te houden, maar zolang een land niet overgaat tot internationale handel, infrastructurele ontwikkeling, verbetering van onderwijs en het opzetten van een eerlijke democratie, verdwijnt het ontwikkelingsgeld in een bodemloze put.

Mocht je verwachten dat ontwikkelingshulp helemáál geen zin heeft, dan ben je al net zo goed naïef. Ontwikkelingssamenwerking is namelijk heel nuttig, zeker wanneer je het op een kleinere schaal bekijkt. Door specifiek te investeren in de verbetering van het basisonderwijs, om maar een voorbeeld te noemen, kun je al heel veel bereiken. Zo onderschrijven diverse wetenschappelijke publicaties dat geschoolde Afrikanen zowel economisch als sociaal een goede investering zijn voor een land. Ook landbouwvoorzieningen kunnen door investeringen sterk worden verbeterd. Dit gaat niet alleen honger tegen, maar draagt ook bij aan de handel in binnen- en buitenland. Investeringen in technologie en infrastructuur dragen hier ook significant aan bij. Ook de gezondheidszorg profiteert van ontwikkelingssamenwerking. Dit gebeurt onder meer door de bouw van ziekenhuizen, het opleiden van medisch personeel, het verstrekken van vaccinaties, het geven van voorlichting aan burgers en het verspreiden van voorbehoedsmiddelen.

Investeren in Afrikaanse landen die zich afsluiten van de buitenwereld en zelf niet investeren in een sterkere economie, is in elk geval een slecht idee.

Stukje bij beetje kan ontwikkelingssamenwerking een land dus wel degelijk een grote dienst bewijzen, maar pas als een land zelfstandig uit het slop raakt, kan de economie groeien, en pas als de economie groeit, neemt de armoede af. Azië is hier een treffend voorbeeld van. Pas in de jaren tachtig, toen Deng Xiaoping China openstelde voor internationale handel en buitenlandse investeringen, groeide het land uit tot de economische mogendheid die het nu is. Ook Vietnam is een succesverhaal – het land is de afgelopen jaren dankzij goede investeringen uit het Westen aan grootschalige armoede ontsnapt. In Afrika zijn overigens ook dergelijke successen geboekt. Zo is de aidsepidemie in Oeganda de afgelopen jaren significant teruggedrongen. Wereldwijd moeten echter nog altijd een miljard mensen rondkomen van een hongerloon en sterven er jaarlijks drie miljoen mensen aan aids. Nog schrijnender: Twee miljoen mensen sterven jaarlijks aan tuberculose, terwijl daar al decennialang een goedkope kuur voor bestaat. Genoeg voorbeelden voor én tegen ontwikkelingssamenwerking dus.

Investeren in Afrikaanse landen die zich afsluiten van de buitenwereld en zelf niet investeren in een sterkere economie, is in elk geval een slecht idee. De effectiviteit van bilaterale ontwikkelingssamenwerking ligt namelijk besloten in de wisselwerking tussen Westers geld en de inzet van overheden zelf. Onderzoek van de Wereldbank onderschrijft dit; wil ontwikkelingssamenwerking daadwerkelijk van nut zijn, dan moet die complementair zijn aan de inspanningen van burgers en overheden. Dat laatste is dan ook precies waar in geïnvesteerd moet worden – iets waar onze overheid overigens ook rekening mee houdt – want zonder een sterke democratie heeft ontwikkelingsgeld zelden een langetermijneffect.

Willen we dus een blijvend verschil maken, dan is het essentieel dat we bilaterale hulp bieden aan landen die een sterk economisch beleid voeren, maar nog niet genoeg kapitaal hebben om dat beleid op landelijk niveau te realiseren. De overheid probeert dit door het creëren van werkgelegenheid en productiemogelijkheden, het opzetten van rekenkamers, het bevorderen van de internationale handel en het verzorgen van scholing en gezondheidszorg. Alleen zo kan de armoede structureel worden teruggedrongen en alleen zo kunnen arme landen de stap zetten naar zelfstandigheid.

En al die andere landen dan? Die hebben er vooral baat bij als er geld wordt geïnvesteerd in het verbeteren van het overheids- en justitieapparaat, want zonder een stabiele, corruptievrije regering verdwijnt het geld alsnog in selectieve projecten, verkeerde zakken, oorlogskassen en andere bodemloze putten – precies zoals in de Koude Oorlog gebeurde. Natuurlijk moeten de burgers van corrupte landen beschermd worden tegen armoede, honger, ziektes en geweld, maar zolang hun regering niet meewerkt, is dat vooral symptoombestrijding en wordt er structureel niets opgelost.

  • “Het kapitalisme maakt het dan ook complex om de Derde Wereld te helpen. Amerikaanse subsidies op binnenlandse katoenproductie liggen bijvoorbeeld hoger dan het bedrag dat jaarlijks aan ontwikkelingssamenwerking in West-Afrika wordt besteed, en dat terwijl voor sommige Afrikaanse landen katoenhandel de voornaamste inkomstenbron is. Dezelfde schrijnende toestanden kom je tegen in de melkvee – tabak – en suikerindustrie. Het wordt voor arme landen verdomd moeilijk om op deze manier internationaal te concurreren. Het resultaat: de economische groei stagneert of neemt af en het land krijgt niet de gelegenheid om zelfstandig te worden.”

    Als je dit schrijft vind ik je conclusie een beetje vreemd. Het lijkt mij dat minder kapitalistisch denken en daardoor het veranderen van regels misschien wel een veel grotere invloed heeft dan ontwikkelingshulp. Dit geldt overigens niet alleen voor ontwikkelingshulp, maar ook voor een heleboel problemen die in Nederland zelf gelden. Geld is belangrijker dan de gezondheid van burgers bijvoorbeeld.

  • likoednederland

    Verreweg de meeste ‘ontwikkelingshulp’ gaat naar de Palestijnen, twee miljard dollar per jaar. Dat geld wordt gebruikt om ambtenaren thuis te laten blijven, mensen opgesloten te houden in kampen en om de riante Palestijnse staatssalarissen aan Jodenmoordenaars te betalen. Waanzinnig.

Macbook Pro
* Intel Core i7 (3.8GHz, 6MB cache)
* Retina Display (2880 x 1880 px)
* NVIDIA GeForce GT 750M (Iris)
* 802.11ac Wi-Fi and Bluetooth 4.0
* Thunderbolt 2 (up to 20Gb/s)
* Faster All-Flash Storage (X1)
* Long Lasting Battery (9 hours)
Help ons groter worden!
Onze site is gratis voor iedereen en dat willen we graag zo houden. Graag willen we je vragen onze facebookpagina leuk te vinden. Zo kunnen wij blijven groeien en mis jij geen van onze artikelen! Alvast bedankt en veel leesplezier, het Young Critics-team :-)
YOUNG CRITICS
Non-actief
Op dit moment wordt geen nieuwe content geplaatst op de site. We zijn op de achtergrond bezig met reorganiseren van onze redactie- en publicatiestructuur. In de tussentijd kun je uiteraard onze oude stukken gewoon op de site lezen. Tot snel! Het YC-team.
Bedankt, we nemen z.s.m. contact met je op.