De prijs van een mensenleven: 11 euro

Enigszins ongebruikelijk, desalniettemin erg interessant waren de dilemma meetings die ik bijwoonde voor mijn keuzevak van de studie bedrijfskunde. Het heette ‘Leadership, Sustainability & Governance’ en ging kort gezegd over de morele verantwoordelijkheid die leiders van multinationals hebben over onze samenleving. Naast een schriftelijk tentamen werden we beoordeeld op drie sessies van 1,5 uur waarin filosofische dilemma’s, maar ook realistische maatschappelijke kwesties werden besproken. Dit verhaal werd ons bijvoorbeeld voorgelegd:

Casus 1: Ford Pinto

Op 10 augustus 1978 gebeurt een tragisch ongeluk vlakbij Goshen, Indiana (US). Drie tieners rijden in hun vijf jaar oude Pinto terwijl er een vrachtwagen van achteren op hen inrijdt. De benzinetank scheurt en de auto brandt compleet uit. De drie tieners sterven een tragische dood.

Voor de eerste keer in de geschiedenis van de Verenigde Staten wordt een bedrijf beschuldigd van ‘dood door schuld’. In de rechtszaak meent de rechter dat Ford veroordeeld moet worden omdat ze onvoldoende rekening heeft gehouden met de mogelijk fatale consequenties van haar acties.

Wat is hier nu aan de hand?

Eind jaren zestig zag Ford Motor Company, een van ’s werelds grootste autoproducenten, zijn marktaandeel langzaamaan verdwijnen. Ze moesten plaats maken voor kleine, goedkope Europese auto’s. In 1968, wilde de algemeen manager Lee Iacocca dat Ford ook een kleine en goedkope auto moest produceren: de Ford Pinto. Waar het normale tijdsbestek voor het ontwikkelen van een automodel in die tijd 43 maanden was, deed Ford het in 24. Er was nog niet veel ervaring met het ontwerpen van kleine auto’s waardoor Ford eindigde met een auto waarvan de benzinetank zo geplaatst werd dat de differentieel hem zou doorsteken bij een ongeluk. Tijdens testrondes gebeurde dit al bij een snelheid van 34 kilometer per uur en veroorzaakte een zeer licht ontvlambare situatie.

Puntje bij paaltje: Het management van Ford kon het ontwerp verbeteren tegen een kostenverhoging van 11 euro per auto. Hier werd echter niet voor gekozen, omdat legale eisen nog niet gesteld waren en de Ford Pinto in vergelijking met andere auto’s net zo (on)veilig was. Plus, de maatschappelijke kosten van slachtoffers van ongelukken wogen niet op tegen de productiekosten van 11 euro per auto.

Een van de vragen die over deze casus gesteld werd, was: ‘Zou dit nu nog steeds kunnen gebeuren?’ Waarop veel medestudenten snel en verbaasd reageerden: “Nee, natuurlijk niet! 11 euro extra betalen voor veiligheid zou nu geen dilemma meer opleveren.”

Toch kon ik op dat moment de gedachte niet aan mezelf onttrekken dat er in 2015 nog steeds situaties zijn waarin we niet bereid zijn extra te betalen voor de veiligheid van een mensenleven. Waar het tegenwoordig ondenkbaar lijkt dat een fabrikant niet die 11 euro extra neerlegt om veiligheid te waarborgen, weigeren we nog steeds collectief om extra te betalen voor producten uit het buitenland die onder verschrikkelijke arbeidsomstandigheden zijn gemaakt. Persoonlijk deed de casus en de daar bijbehorende vraag mij onmiddellijk denken aan de kledingindustrie. Hoewel de vergelijking niet 100% treffend is (bij de casus ligt het risico op het verlies van een mensenleven bij de consument, bij de kledingindustrie ligt deze bij de producent), het principe blijft hetzelfde: we willen met al onze rijkdom nog steeds geen dubbeltje extra neertellen voor veiligheid. Het goedkoopste is niet goedkoop genoeg.

Vrijdagmorgen berichtte de Volkskrant over het rapport wat SOMO (Nederlandse organisatie die voornamelijk onderzoeken rondom multinationals uitvoert) in samenwerking met Réporter Brasil (onderzoeksorganisatie die zich voornamelijk richt op slavenarbeid in Brazilië) heeft geschreven over de misstanden in de productieketting van Inditex, het bedrijf wat onder andere Zara, Massimo Dutti, Stradivarius en Uterque kleding levert. In het rapport  is te lezen wat voor slechte arbeidsomstandigheden ze hebben aangetroffen in de kledingfabrieken in Brazilië en wat de redenen zijn dat dit probleem zo moeilijk aan te pakken is. De modewereld is de laatste jaren in een stroomversnelling geraakt. Trends zijn zo veranderlijk als het weer en het liefst vernieuwen de ketens hun collecties zo vaak mogelijk. Hoe vaak vind je wel niet een promotiemail in je inbox die weer ‘new arrivals’ aankondigt?

De mode-industrie richt zich dus op de korte termijn en heeft daarmee een erg korte productiecyclus. Investeringen zijn er niet bij en bedrijven zijn altijd op zoek naar de goedkoopste leveranciers. Terwijl de ketens er hoge winsten uithalen, concurreren de leveranciers elkaar naar bodemprijzen. Snel, goedkoop en toch ‘kwaliteit’ leveren. De leveranciers voelen zich gedwongen zich te wenden tot ‘outsourcing’ en ‘subcontracting’. Dit betekent dat ze de productie uitbesteden aan werkhuizen waar vaak illegalen en minderjarigen werken. En niet alleen dit, ook legale arbeiders werken onder omstandigheden die soortgelijk zijn aan slavernij, aldus het rapport.

De modebedrijven behalen enorme winsten met het verkopen van spotgoedkope kleding onder dure merknamen, terwijl arbeiders in China, Bangladesh en Vietnam 16 uur per dag werken om te kunnen eten. De disbalans is hier, dat lijkt me duidelijk.

De laatste maanden zijn steeds meer verschillende verslagen, rapporten en documentaires verschenen over de misstanden in mode industrie. Ik raad met name de driedelige docu-reeks ‘Slag om de Klerewereld’ en ‘De Wereld volgens H&M’, van Zembla aan (beide te bekijken op uitzending gemist).

Waarom ik dit schrijf?

Net zoals veel jongeren ben ik mij bewust van de verhalen achter de kleding die ik draag. Ik winkel graag bij H&M, Zara, Mango en alle vergelijkbare ketens. Nadat ik afgelopen januari schandalig veel kleren heb gekocht voor absolute bodemprijzen besloot ik dat ik het best anders kon doen. Voor het geld wat ik toen aan kleding spendeerde, bestaat er heus wel een alternatief. Bovendien draag ik de helft amper. Dit artikel is de eerste in de reeks die ik ga schrijven over het zoeken naar alternatieven. Ik wil de vragen beantwoorden die een ieder stelt als we het hebben over het tegengaan van slavernij en kinderarbeid in de kledingindustrie. ‘Is er wel een betaalbaar alternatief?’ ‘En hoe weet ik zeker dat dit alternatief echt veilig en eerlijk geproduceerd is?’ ‘Werkt dit niet net als biologische eieren die helemaal niet zo biologisch zijn?‘ Gaat dit me niet enorm veel tijd kosten?’ ‘Moet ik me nu beperken tot tweedehands en vintage?’ ‘Hebben ze dat wel in mijn maten?’

Omdat ik 11 euro niet per se kán, maar graag wíl missen in ruil voor veilige omstandigheden voor de arbeiders in China, Bangladesh en Vietnam.

De foto komt van Zoriah.

Young Critics draait volledig op donaties. Vond je dit artikel van Anouk Roeling de moeite waard? En wil je graag meer van deze schrijver lezen? Steun ons dan in de vorm van een donatie.

Hieronder kun je iets bijdragen aan het artikel of de discussie aangaan. Ben je het met Anouk eens? Waarom wel/niet?